De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Vught (2015) deels in een zone met de Categorie 4: gebieden met hoge verwachting en deels in een zone met de Categorie 5: gebied met een middelhoge archeologische verwachting.
Tijdens het onderzoek werd in vrijwel alle sleuven onder een opgebracht akkerdek van 40 tot 80 cm dikte, een restant van een podzolbodem aangetroffen. Wat het aannemelijk maakt dat er van origine in het gehele onderzochte deel van het plangebied een podzol aanwezig is geweest. Deze is echter vermoedelijk door akkerbewerking vrijwel geheel verdwenen en opgenomen in het bovenliggende akkerdek. Alleen in proefsleuf 1 werd een akkerdek dunner dan 50 cm aangetroffen, waardoor er gesteld kan worden dat er in vrijwel het gehele plangebied hoge zwarte enkeerdgronden aanwezig zijn. Duinvaaggronden, zoals in het vooronderzoek aan de randen van het plangebied waargenomen, zijn niet aangetroffen.
Archeologische waarden zouden, indien aanwezig, dus waargenomen moeten kunnen worden.
In de top van de C-horizont werden met name spitsporen aangetroffen, die wijzen op landgebruik in de late middeleeuwen of de nieuwe tijd. Er zijn echter geen aanwijzingen aangetroffen dat het plangebied reeds in de late middeleeuwen in gebruik was. Het lijkt daarom aannemelijker dat deze sporen, inclusief de greppel, in de nieuwe tijd te dateren zijn en het plangebied pas vanaf de nieuwe tijd in gebruik is genomen; mogelijk pas bij de bouw van de Theresiahoeve. Hiervan werden, tijdens een onderzoek op circa 120 meter ten oosten van het plangebied, resten aangetroffen en staat reeds op de topografische kaart van 1811-1832 aangeduid.
Het beeld van het onderzochte terrein sluit aan bij de onderzoeksgegevens die in de nabijheid van het plangebied uitgevoerd zijn en waarbij eveneens de enige aangetroffen sporen ontginningssporen betreffen.
Dit advies is voorgelegd aan de gemeente, die dit advies beoordeeld heeft. Deze heeft gesteld dat enkel de onderzochte delen, de bouwkavels dus, op basis van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek vrijgegeven kunnen worden voor ontwikkeling. De onderzochte oppervlakte van het plangebied was echter niet omvangrijk genoeg om het gehele plangebied vrij te geven. Hierdoor blijft de dubbelbestemming archeologie voor de rest van het plangebied behouden. Om deze reden heeft de bevoegde overheid gesteld dat de overige geplande ingrepen uitgevoerd dienen te worden onder archeologische begeleiding (Opgraving - variant archeologische begeleiding).