Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Tempelstraat te Beuningen, gemeente Beuningen (GD) Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase Tempelstraat te Beuningen, gemeente Beuningen (GD)

DOI

Laagland Archeologie heeft in november/december 2022 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Tempelstraat te Beuningen. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de geplande bouw van een appartementencomplex.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van het bureauonderzoek wordt er binnen het plangebied een stroomrug verwacht in een gebied waar ooivaaggronden voorkomen. Stroomruggen waren bij uitstek een locatie die geliefd waren voor bewoning. In de omgeving van het plangebied zijn bij verschillende onderzoeken nederzettingsresten aangetroffen uit de IJzertijd tot Late Middeleeuwen. Op basis van het bureauonderzoek is er een hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd. Voor resten uit vroegere perioden is er een lage verwachting. De Tempelstraat is al heel oud en vormde vroeger de verbinding tussen een oude heerweg uit de Romeinse tijd en een haventje/aanlegplek. Deze moet daar in een kreek hebben gelegen, die bij de bedijking in 1320 is afgedamd. De Tempelstraat ontleent zijn naam aan een (voormalige) versterkte boerderij ongeveer 450 m ten zuidwesten, die mogelijk tot de Orde der Tempeliers heeft toebehoord. Ongeveer 30 m ten zuiden ligt het terrein van de kasteelruīne van de Blanckenburg met een oorsprong in de 15e eeuw.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is het zeer waarschijnlijk dat het plangebied archeologische sporen bevat. Er zijn oude woongronden aangetroffen, die representatief zijn voor gronden die zeker al in de Vroege Middeleeuwen in cultuur zijn gebracht. Waarschijnlijk is in boring 1 een spoor bestaande uit twee vullingen aangetroffen. Omdat bij de nieuwbouw afgezien een kruipruimte tussen de funderingsbalken niet onderkelderd wordt, reikt de diepte van de verstoring niet dieper dan ongeveer 100 cm -mv. Omdat de top van het archeologische niveau op 130 cm -mv (7,12 m + NAP) begint, kunnen waarschijnlijk aanwezige archeologische resten in situ kunnen worden behouden. Als een veiligheidsmarge wordt aangehouden van 30 cm om archeologische waarden te behouden, is een behoud in-situ mogelijk bij een maximale aanlegdiepte van 100 cm -mv (7,42 m +NAP) van funderingen en aan te leggen wadi’s. Het pand zal niet worden onderkelderd. Wel wordt geadviseerd dat de waarschijnlijk noodzakelijke fundering op palen volgens een archeologievriendelijk bouwplan wordt aangelegd.Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems), als een behoud in-situ niet tot de mogelijkheden behoord. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).We adviseren in het bestemmingsplan wel een aanduiding omtrent archeologie op te nemen.Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente Beuningen. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, E. Mietes.Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-z4k-ch9y
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-z4k-ch9y
Provenance
Creator J. Wijnen
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor R.C.B. Steenbak; Laagland Archeologie
Publication Year 2024
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact R.C.B. Steenbak (Provincie Noord-Brabant)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/gml+xml; application/pdf; application/zip; text/xml
Size 2234; 6818029; 24700; 3289; 1190; 1343; 1815; 830; 1597; 2826; 10326; 5311; 1851; 1148; 1678; 1831; 2038; 2143; 2022; 1265; 1624; 2134; 1391; 1984492; 978; 1602; 177302; 1445; 977; 1280; 1604425; 907; 1208; 2963; 980; 38289; 3568; 2124; 2075; 1447; 1813; 1524; 2323; 310115; 42583; 1825; 352626; 309938
Version 1.0
Discipline Humanities