Eindrapportage archeologisch bureauonderzoek (21910.001) Nobelstraat 12 te Zevenaar

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting In de perioden vóór het ontstaan van de meandergordel/stroomgordel van Oude Rijn - Pannerden, vanaf circa 600 voor Chr. (Vroege-IJzertijd), had het plangebied in ieder geval een landschappelijke ligging in een rivierkomvlakte. Er zal sprake zijn geweest van natte/drassige omstandigheden, waardoor het plangebied geen aantrekkelijke locatie was voor bewoning. Vanaf het moment dat de ten zuiden gelegen meandergordel/stroomgordel van Oude Rijn-Pannerden actief werd nam het plangebied waarschijnlijk meer een landschappelijke ligging in binnen een komgebied/binnen een zone waar sedimentatie van vooral zwaar getextureerde klei plaatsvond. Gedurende de perioden vanaf de Vroege-IJzertijd tot aan de 6e/7e eeuw behield het plangebied waarschijnlijk zijn ongunstige ligging als bewoningslocatie.

Ergens in de periode vanaf de 7e tot 10e eeuw na Chr. (Vroege-Middeleeuwen) vond er een oeverwaldoorbraak plaats. Tijdens deze doorbraak is een crevassegeul gevormd, die van Oud-Zevenaar in noordelijke richting liep en bekend stond als de Aa. Dergelijke crevassegeulen gedragen zich als een miniatuur rivierbedding. Aan weerszijden van deze crevassegeul vond sedimentatie plaats en ontstond een crevassewaaier (feitelijk miniatuur-oeverwallen). Ook het plangebied heeft op basis van het hoogtebeeld een ligging binnen deze crevassewaaier, echter gaat het wel om relatief lager gelegen delen. Meest interessant als bewoningslocatie waren de zones direct langs de crevassegeul. Het plangebied ligt echter op enige afstand (circa 150 meter) ten oosten van deze geul. Daarom heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor de perioden Vroege-Middeleeuwen (vanaf de 6e/7e eeuw) en Late-Middeleeuwen. In de directe omgeving van het plangebied zijn tot op heden geen archeologische onderzoeken uitgevoerd. Gravend onderzoek uitgevoerd circa 550 meter ten zuidwesten van het plangebied heeft voornamelijk verspoelde resten opgeleverd, echter geen sporen die duiden op bewoningsactiviteiten. De noordelijke begrenzing van de historische stadskern van Zevenaar ligt verder op vrij aanzienlijke afstand van het plangebied (circa 700 meter ten zuidwesten). Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat verder zien dan het plangebied vanaf ieder geval de tweede helft van de 18e eeuw tot in de tweede helft van de 20e eeuw in gebruik is geweest als akkerland/bouwland. Daarom wordt de verwachting laag geacht voor de periode Nieuwe tijd laag geacht, aangezien het historisch kaartmateriaal geen aanknopingspunten/aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van een (opgehoogde) woonplaats/historische erf binnen het plangebied.

Conclusie Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Er geldt nog een middelhoge verwachting voor de perioden Vroege-Middeleeuwen (vanaf de 6e/7e eeuw) en Late-Middeleeuwen. Op grond van de beantwoorde onderzoeksvragen, conform het Handboek archeologisch onderzoek binnen de regio Arnhem (derde druk, mei 2017), blijkt dat binnen het plangebied archeologische complexen kunnen worden verwacht die zichtbaar zijn als duidelijk ontwikkelde cultuurlagen in de natuurlijke crevasseafzettingen. Daarmee kan sprake zijn van de aanwezigheid van een oude woon-grond met hierin veel afvalresten.

Voor het terreindeel waar de sanering met een matige verontreiniging met minerale olie is uitgevoerd en waar ontgravingen hebben plaatsgevonden tot circa 2,8 m -mv, geldt dat er geen in situ gelegen archeologische resten meer worden verwacht. Dit betreft echter een terreindeel met een beperkte oppervlakte van circa 45 m² (put met een breedte en lengte van circa 5 bij 9 meter, zie bijlage 5) binnen de noordelijke helft van het plangebied. Voor het merendeel van het plangebied zijn er verder geen duidelijke bewijzen van reeds uitgevoerd bodemverstorende ingrepen om te concluderen dat er geen in situ gelegen archeologische resten meer worden verwacht. Voor een oppervlakte van circa 660 m² (705 m² minus 45 m²) dient de middelhoge verwachting voor de perioden Vroege-Middeleeuwen (vanaf de 6e/7e eeuw) en Late-Middeleeuwen dan ook vooralsnog te worden gehandhaafd.

Advies Geadviseerd wordt binnen het plangebied een inventariserend veldonderzoek door middel van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek (KNA protocol 4003, IVO-K) te laten uitvoeren. De boringen (minimum aantal van 6 boringen) dienen gelijkmatig verspreid te worden gezet om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel en de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen (die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen). Daar waar sprake is van een (deels) intact profiel dient de laag waar archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht te worden versneden/verbrokkeld. Het versneden/verbrokkelde opgeboorde bodemmateriaal dient beoordeeld te worden op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Door middel van het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/WKJ2XI
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/WKJ2XI
Provenance
Creator Broeke, E.M. ten
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, E.M. ten; Econsultancy
Publication Year 2024
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, E.M. ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 9569461
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem