In januari 2025 is in opdracht van Enexis Netbeheer B.V. door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het tracé Hooidijk te Zeijen in de gemeente Tynaarlo. De aanleiding voor het onderzoek is de aanleg van trafostations, laag- en middenspanningskabels. Conform het beleid van de gemeente Tynaarlo is het plangebied onderzoeksplichtig, archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd.
Het tracé heeft een lengte van circa 1900 meter. Hiervan zal circa 1385 m in open ontgraving en circa 515 m zal via sleufloze techniek (HDD) worden aangelegd. Het tracé zal aangelegd worden in een sleuf van maximaal 0,4 m breed met een diepte van circa 0,8 m-mv. De trafostations betreffen een oppervlakte van 8,75 m2 waarbij een diepte van 0,7 m-mv wordt ontgraven.
Het plangebied is gelegen in Archeoregio Drents zandgebied. Het landschap werd grotendeels gevormd in de voorlaatste ijstijd, het Saalien. Gedurende deze ijstijd was de huidige provincie Drenthe bedekt met een ijskap. Onder druk van het ijs en door uitsmelting van ingesloten puin is onder het ijs keileem afgezet. Tevens stuwde het landijs in deze tijd de ondergrond op tot stuwwallen. Tijdens het Weichselien, de laatste ijstijd, bereikt het landijs Nederland niet. Door de beken en afstromend smeltwater zijn fluvioperiglaciale afzettingen afgezet. De schaarse begroeiing en het droge klimaat ervoor dat zand vrij kwam. Dit zand werd weggeblazen door de wind en over het landschap afgezet. In het Holoceen (ca. 11.500 jaar geleden) steeg de temperatuur en was er sprake van een relatieve zeespiegelstijging. Door de stijging van de temperatuur smolt het landijs, ontdooide de permafrost en nam de neerslag toe. Het keileem in de ondergrond liet weinig water door, dus de waterafvoer werd belemmerd. Door de verslechterde afwatering vond veengroei plaats. De hoger gelegen delen van het landschap waren geschikt voor bewoning. Nabij een beekdal kunnen indicaties van activiteiten (jacht/voedselverzameling) worden verwacht, mogelijk zelfs rituele deposities.
De oudste sporen die in het huidige landschap nog te zien zijn in de provincie Drenthe zijn de hunebedden. De hunebedden zijn te koppelen aan de Trechterbekercultuur met een datering tussen 3400 – 1900 v. Chr., midden- en laat-neolithicum. In deze periode komen landbouw, veeteelt en het gebruik van aardewerk op.
In het neolithicum vestigden zich boerengemeenschappen in dit gebied met een gemengde landbouweconomie. Naast het kenmerkende aardewerk vormden vuurstenen en stenen werktuigen zoals bijlen en dissels onderdeel van de materiële cultuur. De kenmerkende hunebedden dateren uit het midden neolithicum, en behoren tot de Trechterbekercultuur. Vanaf het laat-neolithicum veranderde het grafbestel en werd begraven in grafheuvels. Vanaf de late bronstijd is overgegaan op het cremeren van de doden.
In de omgeving van het plangebied dateren de eerste boerderij plattegronden en nederzettingen uit de midden-bronstijd. Daarnaast zijn er waarnemingen uit deze periode bekend in beken en beekdalen waar het materiaal mogelijk als rituele depositie is achtergelaten.
Het plangebied is deels gelegen in een celtic field, ook wel raatakkers genoemd. Deze landschappelijke structuren kwamen voor het eerst op circa 1200 v. Chr. De veldjes waren omringd door lage wallen en werden afwisselend gebruikt als bouwland, braakliggend land, huisplaats of voor agrarische doeleinde. Op de hoogtekaart zijn kleine delen van de celtic fields nog terug te zien.
Rondom het plangebied zijn uit de ijzertijd (800 v. Chr. – 12 n. Chr.) enkele grafheuvels bekend. Daarnaast is in deze tijd verder gegaan met bebouwing binnen de celtic fields. In Tynaarlo zijn nederzettingssporen aangetroffen in de vorm van huisplattegronden, spiekers en kuilen. Ook zijn nederzettingssporen op de hoger gelegen gebieden aangetroffen. In de gemeente Tynaarlo zijn drie versterkte nederzettingen bekend.
Gedurende de Romeinse tijd (12 v. Chr. – 450 n. Chr.) heeft het plangebied geen deel uitgemaakt van het Romeinse rijk. Hierdoor zijn hier weinig invloeden van terug te zien. Midden en noord Nederland kwamen via het Frieze gebied in contact met nieuwe producten en mogelijk ook ideeën. Er zijn waarnemingen bekend waar Romeins (import)aardewerk is aangetroffen.
Uit de vroege middeleeuwen zijn weinig nederzettingssporen in Tynaarlo bekend. In de middeleeuwen (450-1500 n. Chr.) worden eigendommen vastgelegd, wat ervoor zorgde dat bewoning minder verplaatst werden. Tevens werd in deze periode gestart met de veenwinningen.
Het plangebied is gelegen tussen de dorpen Vries en Zeijen. Vries was in de 9e eeuw een oerparochie van Noordenveld. Maar de oudste bekende vermelding komt uit de 12e eeuw. Zeijen is een esdorp en wordt voor het eerst genoemd in 1370. Esdorpen zijn ontstaan in de middeleeuwen (450-1500 n. Chr.).
Vanaf circa 1850 n. Chr. is gestart met de woeste gronden te ontginnen in de gemeente Tynaarlo. De verkaveling van deze ontginningen was grootschaliger en blokvormiger dan de eerdere ontginningen.
Nabij het plangebied zijn nog sporen terug te vinden uit de Tweede Wereldoorlog. Het plangebied is circa 2 km gelegen van de Frieslandriegel. Dit betreft een Duitse linie aangelegd om een geallieerde invasie uit het noordwesten te stuiten.
Het tracé wordt deels aangelegd door middel van gestuurde boringen (HDD) en deels in open ontgravingen. De open ontgravingen hebben een totaal lengte van circa 305,5 m tracé waar een beleid geldt waarbij specifiek/archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Circa 729,5 valt binnen een zone waar inventariserend veldonderzoek noodzakelijk is. Het tracé ligt voor circa 327,89 in een lage verwachting. Hier is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk volgens het beleid. Een deel van het tracé is gelegen nabij reeds verstoorde grond door de aanleg van kabels en leidingen.
Voor de tracédelen die in een zone liggen met een lage archeologische verwachting, zoals opgenomen is in de beleidsadvieskaart en delen welke verstoord zijn door kabels en leidingen, adviseert Antea Group tot vrijgave voor onderhavige werkzaamheden.
Antea Group adviseert om proefsleuven in de vorm van een archeologische begeleiding uit te laten voeren op de locatie van het oostelijke trafostation, open ontgravingen en de in- en uittrede punten van de gestuurde boringen (HDD) waar een middelhoge en/of hoge archeologische verwachting geldt. Delen van het tracé waarvoor het advies tot vervolgonderzoek geldt valt ook binnen een celtic field, dekzandkoppen binnen beekdal en vennetjes / laagten en de bufferzone van het AMK-terrein.
Dit advies geldt enkel voor onderhavige werkzaamheden met een breedte van de sleuf van 40 cm en diepte van 80 cm. Mochten er planwijzigingen plaatsvinden zal opnieuw naar het advies gekeken moeten worden.
Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in dezen de gemeente Tynaarlo.
Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.
Antea Group
Deventer, april 2025
Dit rapport is goedgekeurd door het bevoegd gezag d.d 29-04-2025, in dezen de gemeente Tynaarlo.
Eigen kenmerk: 497882