In opdracht van Hylkema Erfgoed B.V. heeft RAAP in januari en februari 2020 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend en karterend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Stationsstraat 26 te Elst in de gemeente Overbetuwe.Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied zich bevindt op oever - over beddingafzettingen van de stroomgordel Ressen fase C. Deze fase van de Ressense stroomgordel was actief gedurende de bronstijd en is tot op heden als stroomrug in het landschap te herkennen. De verwachting is daarom hoog ten aanzien van bewoningsresten vanaf de bronstijd. Op basis van historisch kaartmateriaal is bekend dat vanaf het begin van de 19e eeuw tot 1916 geen sprake was bebouwing binnen het plangebied. In 1916 is het nog steeds staande kerkgebouw gebouwd. In de directe omgeving zijn op basis van eerder uitgevoerd onderzoek slechts enkele sporen bekend van een laatmiddeleeuws erf. Even ten oosten van het plangebied heeft de Romeinse weg van Nijmegen naar Elst gelopen.Het veldonderzoek heeft de verwachte geologische opbouw bevestigd. Er blijkt sprake van een flink reliëf in het zandlichaam van de stroomgordel. In het noordelijke deel van het terrein is sprake van een opgevulde ondiepe rest- of kronkelwaardgeul, terwijl het zuidelijk deel hoger ligt en alleen oever- op beddingafzettingen laat zien. In de geulvullingen met veen aan de basis heeft zich een vegetatieniveau ontwikkeld waarin in boring 1 houtskool is aangetroffen. In de zandige klei die overal overheen is afgezet heeft zich in de top een cultuur- of sporenlaag ontwikkeld als gevolg van menselijke activiteit.De datering van deze laag of sporen is vooralsnog onzeker. Een klein fragmentje middeleeuws aardewerk suggereert echter dat activiteit in ieder geval tijdens of na de middeleeuwen moet hebben plaatsgevonden.Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Daarom wordt geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat verstoring wordt voorkomen.Geadviseerd wordt om de vindplaats(en) in het plangebied in situ te beschermen. Om verstoring van de vindplaats(en) te voorkomen worden de volgende maatregelen geadviseerd: een maximale verstoringsdiepte van de bovengrond van 30 cm beneden mv en/of het afdekken of ophogen van de vindplaats.Indien planaanpassing niet mogelijk is, wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen.Om de vindplaats te kunnen waarderen kan deze het best nader onderzocht worden door middel van gravend onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.