Uit het booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw niet meer intact is. Een vergraven bodemlaag gaat scherp over in het gele dekzand. In twee boringen zijn de boringen gestuit op puin op een diepte van 70 cm tot 150 cm. In boring 5 is nog een restant van een B-horizont aanwezig. Dit geeft aan dat er van oorsprong een podzolbodem aanwezig is. De ondergrens van de podzolbodem ligt in deze boring op circa 30 cm diepte. Uit historisch kaartmateriaal blijkt niet dat er op de plaats van de kapschuur voorheen een schuur heeft gestaan waar een mestkelder onder heeft gelegen. Toch lijkt boring 4 aan te geven dat er op die plaats sprake is van een met grond, puin en natuursteen gedempte kelder. Het kan zijn dat er sloopmateriaal is gebruikt als verharding van de ondergrond van de kapschuur. Deze verharding reikt in ieder geval zo diep dat hier geen archeologisch intacte bodem meer aanwezig is.