Laagland Archeologie heeft in juli-augustus 2024 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Bronstraat 7a te Born. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de bouw van een woning met garage.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen.Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Het plangebied is gelegen op een korte flauwe helling (lösswand), die geschikt is voor bewoning. Ongeveer 20 m ten zuidoosten ligt de omgrachting van kasteel Born. Deze omgrachting is secundair door de mens aangelegd en ligt in het beekdal van de Honsbeek, die tevens deze grachten voedt. Deze beek is overkluisd en waarschijnlijk deels afgeleid. De lösswand en het tussenterras ongeveer 70 m ten zuidwesten vormt een gradiëntzone die zeer geschikt moet zijn geweest voor jager-verzamelaars. Tevens is deze zone heel geschikt voor landbouwers. Waarschijnlijk liggen er radebrikgronden en/of poldervaaggronden in het plangebied. Radebrikgronden bevinden zich waarschijnlijk meer bovenaan de helling (afhankelijk hoe stabiel deze gronden zijn ten opzichte van erosie kunnen er ook bergbrikgronden en/of ooivaaggronden voorkomen) en meer onderaan zijn poldervaaggronden te verwachten in colluvium. Begraven brikgronden kunnen mogelijk ook nog onder colluvium verwacht worden. Vanwege een afdekking van colluvium kan plaatselijk een gestapeld landschap verwacht worden.Mogelijk is het bodemprofiel deels verstoord in het noordoostelijke plangebied door bebouwing die daar tenminste vanaf begin 19e eeuw aanwezig was in enkele fasen. Met name in het noordoostelijke plangebied zijn resten van bebouwing te verwachten. Het plangebied maakt deel uit van de oude kern van Born (AMK-terrein 16537) met een datering uit de Middeleeuwen tot Nieuwe Tijd.In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit de Bronstijd tot Nieuwe Tijd bekend. De archeologische verwachting is hoog voor alle perioden vanaf het Laat-Paleolithicum.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Algemeen is een onverstoorde bodemopbouw aangetroffen onder ophogingen. In het zuidwestelijke plangebied, tegen de Bronstraat, zijn onder recentere ophogingen en een afgedekte A-horizont een of twee mogelijke spoorvullingen aangetroffen in boring 1 en 5. Deze boringen zijn respectievelijk gestagneerd op puin/oude fundering en een vloer van bebouwing die ouder moet zijn dan het vroegst beschikbare historische kaartmateriaal. In het overige plangebied is onder ophogingslagen en een afgedekte A horizont colluvium tot 165 à 270 cm -mv, op de afgedekte (rest) van brikgronden.Er zijn meerdere archeologische indicatoren aangetroffen. Deze zijn niet allemaal relevant (aanwezigheid van recente bijmengingen in ophogingen, A-horizont en colluvium) omdat deze van elders kunnen komen door bemesting of door afzetting van erosiemateriaal.Deels zijn archeologische indicatoren aangetroffen in archeologische sporen ergens daterend in de Late Middeleeuwen tot en met Nieuwe Tijd. In de met colluvium afgedekte bodemhorizonten (E-horizont, Bt-horizont en C-horizont) in de eolische löss zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Opsporing hiervan vergt meer intensieve vormen van archeologisch veldonderzoek en was niet het doel van het hier uitgevoerde verkennende booronderzoek (zie paragraaf 1.7).De archeologische verwachting is in het gehele plangebied hoog voor archeologische resten vanaf de Late Middeleeuwen tot en met Nieuwe Tijd, terwijl de archeologische verwachting hoog is voor het Laat-Paleolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen voor het overgrote deel van het plangebied (Bijlage 10). Omdat de boringen in het zuidwestelijke plangebied vroegtijdig zijn gestagneerd is de archeologische verwachting voor het Laat-Paleolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen voor dat deel in wezen onbekend. Eventuele archeologische resten uit die perioden kunnen vergraven zijn of zijn verstoord door erosie.Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems).Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente Sittard-Geleen. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, mevrouw Marion Aarts, Gemeentelijk Archeoloog