Laagland Archeologie heeft in maart 2026 een Archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd aan de Veluweweg 188 te Kootwijkerbroek. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de bouw van zes woningen in het plangebied.
Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol SIKB 4002.
Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.
Volgens de gemeentelijke terreinvormingskaart is het plangebied grotendeels gelegen in een dekzandvlakte. In het zuiden is een lage dekzandrug gelegen, waar in het noorden een beekdal aanwezig is. De gemeentelijke landschappenkaart weergeeft dat de dekzandvlakte nat gebied betreft, waar de rug droog is. Dit wordt bevestigd door de gemeentelijke bodemtype kaart, waar het beide dekzandterreinen onder de hydropodzolen (mogelijk veldpodzol) vallen. Het beekdal valt onder een natuurlijke eerdgrond, waar vermoedelijk een beekeerdgrond mee bedoeld wordt.
Het bodemprofiel is in het zuiden vermoedelijk deels verstoord ten gevolge van de terreinverharding die hier heeft plaatsgevonden. Ook heeft hier volgens de topografische kaarten vanaf 1995 tot 1997 bebouwing gestaan. Het bodemprofiel kan tijdens de aanleg en sloop mogelijk zijn verstoord. Er zijn geen aanwijzingen (naast de heideontginningen in de 20e eeuw) voor bodemverstoring in het overige deel van het plangebied.
In de omgeving van het plangebied zijn geen archeologische resten bekend.
Een hoge archeologische verwachting is opgesteld voor de periode Laat Paleolithicum t/m het Midden Neolithicum de zuidelijk gelegen dekzandkop. Dit betreft een hoger gelegen terrein in een gebied waar beken en beekdalen aanwezig waren en zijn. De combinatie van hooggelegen en een bron van vers water nabij het plangebied duidt op een goede bewoningslocatie gedurende deze periode. Voor de lagergelegen terreinen binnen het plangebied geld een middelhoge verwachting. De aanwezigheid van resten van jacht en visserij zijn denkbaar in dit deel van het plangebied.
Een lage verwachting geldt voor het hele plangebied voor de periode vanaf het Midden Neolithicum t/m de Nieuwe Tijd. Hoewel het plangebied deels op hooggelegen terrein valt, zijn binnen het plangebied geen indicaties bekend voor de aanwezigheid van landbouw tijdens deze periode. Historisch kaartmateriaal duidt op deze zelfde conclusie sinds de kaarten het plangebied weergeven als woeste grond en heide. Bronnen wijzen op het ontstaan van Kootwijkerbroek pas vanaf de Late Middeleeuwen. Hoewel dit het geval is, lijkt het land binnen het plangebied pas in gebruik genomen te zijn na de heideontginningen in de 19e en 20e eeuw.
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt archeologisch booronderzoek geadviseerd. Dit zal bestaat uit circa 6 boringen verspreid over het plangebied. Vanwege het landschappelijk belang van de zuidwestelijke hoek van het plangebied (dekzandrug) zullen mogelijk één of twee boringen mechanisch gezet moeten worden ter hoogte van de terreinverharding.
Dit advies is overgenomen door de gemeente Barneveld, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, mevrouw Ch. Van Eijk.
Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (033 421 74 56) of via de website: www.cultureelerfgoed.nl/contact.