Nieuw-Namen Smetstraat 23 Nieuw-Namen Smetstraat 23, Gemeente Hulst. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

DOI

In opdracht van de familie Mattheyssen – De Munck heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in november 2016 een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) uitgevoerd binnen het plangebied gelegen ter plaatse van de Smetstraat 23 te Nieuw-Namen, gemeente Hulst. De opdrachtgever is van plan om binnen het plangebied een nieuwe woning te realiseren. Voor de realisatie van deze woning heeft deze reeds een omgevingsvergunning verkregen. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt 574 m2, het geplande bouwblok heeft een oppervlakte van circa 140 m2. Op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid is in het kader van de aanvraag tot omgevingsvergunning een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Omdat deze nodige vergunningen voor de bouw van de woning echter reeds uitgereikt zijn is door de gemeente aan de vergunning de voorwaarde tot het uitvoeren van een Archeologisch Bureauonderzoek met een Inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen verbonden.Het plangebied situeert zich op een grote pliocene zandopduiking die gevormd wordt door mariene afzettingen van de Formatie van Oosterhout. Deze laag komt ook elders in Nederland voor maar komt enkel ter plaatse van Nieuw-Namen zo dicht aan het oppervlak. Met betrekking tot de archeologische verwachting voor het huidig plangebied is de aan- of afwezigheid van een pleistoceen dekzanddek boven op de Formatie van Oosterhout van groot belang. Eerdere onderzoeken vondsten in en rondom Nieuw-Namen uit het verleden hebben namelijk uitgewezen dat in en op dit pleistocene dekzand resten aangetroffen kunnen worden vanaf het Midden Paleolithicum. Voor de vroegste fasen betreft dit voorlopig enkel losse vondsten, vanaf het Laat Paleolithicum en Mesolithicum zijn ook al in-situ vondsten aangetroffen. Vondsten uit de Romeinse tijd tot en met Vroege Middeleeuwen ontbreken voorlopig in de omgeving. Voor wat betreft vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen geldt dat op de pliocene hoogte vanaf de 13e eeuw een curtis van de Abdij van Drongen ontwikkeld. Deze groeide uit tot een heiligdom. Op basis van historische kaarten mag aangenomen dat het hier op zen minst een kerk en ommuurd terrein betreft. Tot dit curis zullen echter ook andere gebouwen gehoord hebben die niet op de historische kaarten aangegeven staan en vanaf de 15e eeuw ook twee herbergen. Tot op heden is van dit complex enkel het grafveld ontdekt, dit is gelegen op enkele honderden meters ten oosten van het huidig plangebied. De curtis werd gedurende de tweede helft van de 16e eeuw opgegeven en afgebroken. In 1702 is ter plaatse van het plangebied en de omgeving ervan een fort (Fort Verboom) aangelegd. Dit fort is slechts gedurende een korte tijd in gebruik gebleven en was reeds in het derde vierde kwart van de 18e eeuw vervallen. Uit het veldonderzoek is gebleken dat in het grootste deel van het plangebied (boringen 2, 3 en 4) de bovenzijde van het bodemprofiel verstoord is tot in de afzettingen van de Formatie van Oosterhout. Dit tot een diepte tussen 0,55 en 1 meter beneden maaiveld (3,08 tot 3,88 meter +NAP). Voor deze zone geldt een lage verwachting voor vindplaatsen uit alle perioden. Voor wat betreft de verwachting voor resten van het Fort Verboom dient hierbij opgemerkt worden dat uit het onderzoek tevens is gebleken dat de voormalige wal van het fort geslecht en vergraven is. In boring 4, geplaatst in de zone waar deze wal zal gelegen hebben, heeft namelijk geen historisch ophoogpakket opgeleverd.In het zuidwesten van het plangebied is, ter plaatse van boring 1, een 20 centimeter dikke pleistocene dekzandlaag (Formatie van Boxtel) aangetroffen die de pliocene afzettingen van de Formatie van Oosterhout afdekt (de grens tussen het pleistoceen en pliocene zand is gelegen op een diepte van 0,55 meter beneden maaiveld, 3,96 meter +NAP). Voor deze zone geldt dan ook een kort samengevat een hoge verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de Prehistorie, een middelhoge voor vindplaatsen uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen en een wederom een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd.Op basis van de vastgestelde archeologische verwachting en de geldende voorschriften dient in principe voor het zuidwestelijke deel van het plangebied als volgende stap in de AMZ (Archeologische Monumenten Zorg) cyclus behoud in situ, en, indien dit niet mogelijk is, een vervolgonderzoek aanbevolen te worden. Echter, in afwijking op de AMZ cyclus is voor de plannen die binnen het plangebied gerealiseerd zullen worden reeds door de gemeente een omgevingsvergunning verleend. Het laten opstellen van een bureauonderzoek en de uitvoering van een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen was een van de voorwaarden die aan deze vergunning was gekoppeld. Aan deze voorwaarde is, met het voorliggende onderzoek, voldaan. De voorwaarde tot een vooronderzoek is gebaseerd op de voorschriftenkaart in het bestemmingsplan waarop een hoge archeologische verwachting binnen (en rondom) het plangebied voor resten van het voormalige Fort Verboom voorkomt. Uit het veldonderzoek is gebleken dat resten die met dit fort samen hangen binnen het grootste deel van het plangebied wellicht verstoord zijn. Bovendien biedt eventueel vervolgonderzoek naar het voormalige fort binnen dergelijk klein oppervlak (en op die specifieke locatie) geen meerwaarde of potentiële kenniswinst. Eventueel bewaarde en potentieel interessante delen van het fort liggen buiten (het te verstoren deel van) het plangebied.Verder is het zo dat er uiteindelijk slechts een kleine zone met een oppervlakte van circa 160 m2 van het plangebied een niet verstoord bodemprofiel heeft waarop vindplaatsen uit oudere perioden kunnen verwacht worden. Hiervan wordt een deel van circa 140 m2 daadwerkelijk verstoord. Hierbinnen zullen funderingssleuven aangelegd worden tot een diepte van maximaal 0,96 meter en het tussenliggende vloerniveau tot maximaal 0,46 meter beneden maaiveld. Eventueel vervolgonderzoek naar vindplaatsen uit eerdere tijdsperioden binnen dergelijk beperkte oppervlakte biedt weinig meerwaarde.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-zpr-x4h4
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-zpr-x4h4
Provenance
Creator F.M.J. Delporte
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor R.C.B. Steenbak; Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed
Publication Year 2020
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact R.C.B. Steenbak (Provincie Noord-Brabant)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf; application/dbf; application/prj; application/shp; application/shx; text/csv; text/xml; application/octet-stream; application/sbn; application/sbx
Size 4574572; 733; 454; 276; 132; 2331; 10707; 2135; 351; 18093; 5; 237; 428; 116; 284; 108; 5368
Version 1.0
Discipline Humanities