Plangebied Lage Vaartkant te Etten-Leur, gemeente Etten-Leur.

DOI

Aanleiding en doelstelling In opdracht van Rho Adviseurs B.V. heeft RAAP in de zomer van 2025 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Lage Vaartkant te Etten-Leur in de gemeente Etten-Leur Het huidige tuincentrum wordt verplaatst naar de kruising van de Bredaseweg met de Lage Vaartkant. De huidige locatie van het tuincentrum inclusief de omliggende percelen worden ontwikkeld tot een woningbouwplan. Er komen maximaal 300 woningen. Omdat de vrijstellingsgrenzen overschreden worden is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting aan de hand van verzamelde informatie over bekende en verwachte archeologische resten. Deze onderzoeksfase betreft de eerste fase binnen het traject van archeologisch vooronderzoek dat als einddoel heeft de archeologische waarde van het terrein, dan wel de archeologische vindplaats vast te stellen. Resultaat bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied komen oude rivierafzettingen onder een relatief dun pakket dekzand voor. Volgens de landschappelijke basiskaart bevindt het westelijk deel van het plangebied zich op een dalglooiing, het centraal-oostelijke deel op een dalvlakte en de zuidoostelijke hoek in een beekdal. Een groot deel van het beekdal en -glooiing is gedurende het holoceen bedekt geraakt met veen. In het westelijke en hogere deel van het plangebied komen hoge zwarte enkeerdgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand voor. In het oostelijke en lagere deel van het plangebied komen lage enkeerdgronden in lemig fijn zand voor. Naast een bifaciale spits uit de steentijd en losse vondsten, voornamelijk daterend uit de middeleeuwen en nieuwe tijd en afkomstig van een oppervlaktekartering (vermoedelijk bemestingsaardewerk), zijn geen archeologische vindplaatsen bekend in de omgeving van het plangebied. Nadat vanaf de middeleeuwen het veen in de omgeving werd ontgonnen en het gebied werd ontwaterd werd het plangebied geschikt gemaakt voor de landbouw. Naast beakkering in het westen van het plangebied is het oosten gebruikt als weiland. In ieder geval vanaf de nieuwe tijd zijn delen van het westen van het plangebied, langs de Lage Vaartkant, bewoond geweest. Ondanks de landbouwactiviteiten die hier plaatsvonden hebben afdekkende pakketten (zanddek en veendek) mogelijk een conserverende werking gehad op onderliggende oudere resten. De gespecificeerde verwachting is als volgt: o Hoog voor jager-verzamelaars uit het paleolithicum t/m neolithicum in zowel droge (westen van plangebied) als natte context (oosten van plangebied). Vindplaatsen worden hoofdzakelijk herkend aan concentraties bewerkt vuursteen. o Hoog voor resten van veenontginningen en andere economische en infrastructurele activiteiten in het centrale en oostelijke deel van het plangebied daterend uit de nieuwe tijd. Het gaat dan om sporen van de agrarische ontginning van het plangebied, (ontginnings)greppels en de Brandsche turfvaart. o Wegens de aantoonbare doch ondergrondse historische bewoning in het plangebied (af te leiden uit historisch kaartmateriaal), is er een hoge kans op bewoningsresten uit de nieuwe tijd in het westen van het plangebied. Deze bestaan uit resten van boerderijen en sporen van bijhorende tuinen en erven. Deze vindplaatsen worden herkend aan sporen, muurresten, huisafval e.d. De gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied wordt weergegeven op figuur 20. Advies Per verwachtingszone in het plangebied wordt in de volgende opsomming een advies gegeven over hoe om te gaan met archeologische waarden. Omdat nog niet definitief bekend is waar welke ingreep gaat plaatsvinden tot welke diepte kan hier nog geen advieskaart voor worden opgesteld. Het gaat bij het vervolgonderzoek mogelijk deels om een verkennend booronderzoek, deels om gravend onderzoek. Gravend onderzoek kan de vorm aannemen van een proefsleuvenonderzoek of een archeologische opgraving – variant begeleiding. Voorafgaand aan dergelijk gravend onderzoek dient een programma van eisen (PvE) te worden opgesteld en worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. De exacte begrenzing van het archeologisch vervolgonderzoek wordt vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA) of een aanvullend adviesdocument wanneer een definitief uitvoeringsplan voorhanden is. De mogelijke vervolgstappen worden aanbevolen voor gebieden waar ingrepen plaatsvinden tot onder het huidige maaiveld. o Voor het deel van het plangebied waar de kans hoog is op droge resten van jager-verzamelaars wordt geadviseerd inzicht te verkrijgen in de gaafheid van de bodem en de verwachting te toetsen. De gepaste onderzoeksmethode is een verkennend booronderzoek (IVO-O). o Voor een deel van het plangebied waar historische bebouwing verwacht wordt en gegraven zal worden wordt een archeologisch gravend onderzoek geadviseerd. o In gebieden waar de kans hoog is op resten van veenontginningen en andere economische en infrastructurele activiteiten wordt geadviseerd daar waar ontgravingen greppels en vaarten doorkruisen, profielopnamen te maken van deze structuren.

Rapport wordt aangevuld met een verkennend onderzoek; de verwachtingen in dit onderzoek zijn daarom nog niet vastgesteld.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/S6ZT6J
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/S6ZT6J
Provenance
Creator Prickel, MA J.D.; Ellenkamp, ir. G.R.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Diepeveen, MA M.C.; Prickel, MA J.D.
Publication Year 2026
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Diepeveen, MA M.C. (Raap bv)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf
Size 4968751
Version 1.0
Discipline Humanities