De bodemopbouw geeft aan dat er een potentie¨el interessante horizont aanwezig is op een diepte van circa 220–260 cm beneden maaiveld. In alle boringen, met uitzondering van de boringen 1, 3, 5, 10, en 11 is een oude bodem, bestaande uit een dunne A- en een E-horizont waargenomen. In deze pleistocene dekzandlaag zouden sporen uit de steentijd kunnen worden aangetroffen. Tijdens het booronderzoek zijn in deze laag geen archeologische indicatoren aangetroffen. De kans om deze in boringen aan te treffen is echter gering. Ook aan het oppervlak van het terrein is het niet waarschijnlijk deze indicatoren voor menselijke activiteit uit de steentijd aan te treffen. Het veenpakket is in alle boringen dik en vrijwel onverstoord, zodat latere menselijke activiteiten de top van het dekzand niet hebben verstoord.De voorgenomen bouw van woningen op het terrein, en de daartoe nodige funderingsactiviteiten, doen vermoeden dat de top van het pleistocene dekzand aanzienlijk zal worden verstoord. Gezien de aanwezigheid van een niet-verstoorde bodem, en de gradient van de top van het dekzand, zou het aan te bevelen zijn om, in overleg met de Provinciaal Archeoloog, alsnog een aanvullend onderzoek uit te voeren, om eventueel aanwezige sporen van menselijke activiteiten aan te tonen. Vooral het hogere deel van de dekzandhelling lijkt hiervoor in aanmerking te komen.Het aanbevolen onderzoek kan verschillende vormen aannemen:1 Het aanleggen van proefsleuven in het noordwestelijk deel van het terrein en bestudering van de daarbij open te leggen vlakken van de pleistocene bodem. Deze optie geeft de grootste kans eventueel aanwezige resten van menselijke activiteiten aan te tonen;2 Het zetten van boringen in het betreffende deel, met als doel een fijnmazige bemonstering van de pleistocene bodemhorizont. De bodemmonsters van de pleistocene horizont dienen dan integraal fijnmazig te worden gezeefd. Deze bemonstering kan op twee verschillende manieren plaatsvinden: in de vorm van mechanische boormonstername waarbij grotere delen van de pleistocene bodem worden verzameld, of handmatig met behulp van een zogenaamde zuigbuis. Dit is noodzakelijk, omdat anders het natte veen in boorgaten inspoelt, waardoor er geen goede bemonstering mogelijk is. Het nadeel van monstername door boringen is, dat de kans om definitief uitsluitsel te krijgen omtrent eventueel aanwezige archeologische sporen, duidelijk kleiner is dan bij het aanleggen van proefsleuven. Om dit nadeel op te vangen zou een zeer fijnmazige grid van boorpunten (bijvoorbeeld om de 5 m in verspringende raaien) sterk aan te bevelen zijn.Welke oplossing voor het vervolgonderzoek wordt gekozen, dient in overleg met de Provinciaal Archeoloog te worden besproken. Het is duidelijk dat de financieële aspecten ten opzichte van de te verwachten resultaten hierbij een rol zullen spelen.
Date: 2003