Aanleiding voor het onderzoek zijn de plannen van de provincie Fryslan om de N381 te verbreden naar een weg met twee rijstroken per rijrichting. Omdat de weg door gebieden loopt met een hoge waardering voor archeologische resten is er, conform het Verdrag van Malta, archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. Het vooronderzoek is uitgevoerd in de maanden juni/juli 2006 en gepubliceerd in de reeks ARC-rapporten, (De Roller 2006). Uit dit archeologisch inventariserend vooronderzoek (IVO) blijkt dat er enkele gebieden zijn met een intacte bodemopbouw en op een paar andere locaties zijn archeologische indicatoren aangetroffen, met name splinters vuursteen en fragmentjes houtskool. In deze gebieden is derhalve vervolgonderzoek noodzakelijk. In overleg met de provinciaal archeoloog, in de persoon van mw. drs. S. de Bruijn, is besloten om de gebieden waar vervolgonderzoek noodzakelijk is en welke globaal tussen Oosterwolde en Drachten liggen, daadwerkelijk aan een vervolgonderzoek te onderwerpen. Ten zuiden van Oosterwolde vindt voorlopig geen verdubbeling van de provinciale weg plaats, waardoor nog geen aanleiding is om vervolgonderzoek uit te voeren. De provincie Fryslân heeft aan Archaeological Research & Consultancy (ARC bv) de opdracht gegeven het archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO), fase 2, in de geselecteerde gebieden uit te voeren. Het veldwerk vond plaats in de periode 27 september tot en met 6 oktober 2006 en is uitgevoerd door drs. ing. G.J. de Roller als projectleider met, in wisselende samenstelling, ondersteuning van mw. drs. J.B. Hielkema, dr. H. Buitenhuis en drs. M. van Kalmthout.ConclusieDe in de inleiding genoemde vraagstellingen kunnen als volgt worden beantwoord:1 Moet de advieskaart van de FAMKE bijgesteld worden?Ja, er kunen aanpassingen plaatsvinden. De twee pingoruines die in deelgebied 1 zouden liggen zijn niet aanwezig. Deelgebied 6, waar de FAMKE een boordichtheid van 12 boringen per ha adviseert, kan het advies voor het gebied rond de Moskoureed naar onderen worden bijgesteld.2 Zijn er archeologische resten aanwezig?Er zijn in boring 31, 40 en 93 fragmenten houtskool aanwezig. In boring 13 en 92 zijn respectievelijk een fragmentje onverbrand bot afkomstig van groot zoogdier en een fragment van een runderkies aangetroffen. De boringen 39, 66, 76 en 78 bevatten fragmenten sintels. Modern glas komt voor in boring 73 en in boring 48 en 73 komen stukjes baksteen voor.3 Wat is de aard, omvang, kwaliteit en locatie (horizontaal en verticaal) van de eventueel aanwezige archeologische resten?De archeologsiche resten zijn meestal tot één boring beperkt. In boring 215, fase 1 en boring 92 en 93 fase 2 die ca. 10 m uit elkaar liggen komen archeologische indicatoren voor. De verspreiding van het vondstmateriaal is hier ca. 10 meter.4 Wat is de datering van de eventueel aanwezige archeologische resten?De archeologsiche resten zijn minimaal en daardoor niet te dateren. Het dierlijk bot, de sintels, het glas en het baksteen kunnen (sub)recent zijn.5 Liggen er pingoruïnes binnen het tracé en hoe is de palynologische kwaliteit?Er ligt één pingoruïne binnen het tracé en wel op de westoever van het Tjongerdal. De veenkwaliteit is goed en omdat het veen uit mosveen bestaat is de palynologische kwaliteit goed. Mos houdt namelijk veel pollen vast. Deze pingoruïne is derhalve behoudenswaardig. Vanweg het ontbreken van betredingstoestemming moet in twee gebieden nog vervolgonderzoek plaatsvinden. Dat zijn de oostoever van de Tjonger en het perceel bij Oosterwolde met boring 377 en 378 uit fase 1. Nadat dit vervolgonderzoek heeft plaats gevonden, kunnen deze terreinen worden gewaardeerd op hun archeologische potentie.Wanneer bij de uitvoering van de werkzaamheden op de vrijgegeven gebieden onverhoopt grondsporen en/of vondsten worden aangetroffen, dient hiervan direct melding te worden gemaakt bij de provinciaal archeoloog, dr. G.J. de Lange.