In opdracht van Provincie Noord-Holland heeft ADC ArcheoProjecten een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor het tracé van de N239 en N240 bij Medemblik en Opperdoes (gemeenten Medemblik en Wieringermeer). In het plangebied zal een nieuw tracé aangelegd worden. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een Milieu Effect Rapportage (MER) en was noodzakelijk om te bepalen of bij de voorgenomen activiteiten de kans bestaat dat archeologische resten in de ondergrond worden aangetast.Het bureauonderzoek is uitgevoerd voor het bestaande tracé van de N239 en N240. Dit onderzoek had als doel het vaststellen of binnen 50 m aan weerszijden van de N240 en N239 archeologische waarden bekend zijn of verwacht kunnen worden. Binnen dit onderzoeksgebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle perioden vanaf het Neolithicum. Archeologische resten uit het Neolithicum worden vooral verwacht op de oeverwallen langs de kreken. Resten uit de Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen kunnen verwacht worden op de hoger gelegen kreekruggen. Resten uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen kunnen ook op een eventueel aanwezig veenpakket aangetroffen worden. Resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd hebben geen eenduidige relatie met de bodemopbouw van het gebied en kunnen zowel op de kreekruggen voorkomen, als in de lager gelegen komgronden. Er is een grote kans dat eventuele archeologische resten door grondbewerking in het kader van ruilverkavelingen zijn opgenomen in de bouwvoor. In dit geval worden archeologische resten verwacht aan of direct onder het maaiveld, maar zullen zij niet meer in-situ zijn. Op de locatie van de huidige N239 en N240 zullen archeologische resten verdwenen zijn door de aanleg van deze wegen. Ter plaatse van dewestfriese Omringdijk kunnen archeologische resten van vóór de 13e eeuw verstoord zijn door zetting van de grond als gevolg van de aanleg van de dijk.Ter plaatse van het nieuwe tracé van de N240 is in een eerder stadium door Diepeveen-Jansen en Klerks (2007) een bureauonderzoek uitgevoerd. Dit resulteerde in de volgende gespecificeerde verwachting: “Binnen het plangebied zijn tijdens grootschalige veldverkenningen geen archeologische of cultuurhistorische waarden aangetroffen. Bewoningssporen worden dan ook binnen het plangebied, de rotonde, niet verwacht. Indien aanwezig, zullen deze tijdens de dijk- en wegenaanleg verstoord zijn. Het zuiden van de Wieringermeer wordt aangemerkt als een mogelijk neolithisch bewoningsgebied. Enkele geïsoleerde vondsten bevestigen dat het niet uit te sluiten is dat binnen het geplande tracé prehistorische woonplaatsen aanwezig zijn op mogelijk niet gekarteerde oeverwallen of kreekruggen. Dergelijke sporen worden tot 1 meter onder het maaiveld verwacht. De Westfriese Omringdijk is een provinciaal monument en een beeldbepalend element in het Noord- Hollandse polderlandschap en van historisch-ruimtelijke betekenis omdat het het oude van het nieuwe land scheidt. Ten noorden van de Westfriese Omringdijk heeft een oudere, mogelijk laatmiddeleeuwse dijk gelopen die door het nieuwe tracé doorsneden zal worden.”Op basis van deze verwachting is, conform de KNA, versie 3.1, een verkennend en een karterend booronderzoek uitgevoerd, met als doel het vaststellen of op basis van de lithostratigrafie en lithogenese archeologische waarden in het plangebied verwacht kunnen worden. Hieruit bleek dat in het tracédeel tussen de Westfriesche Vaart en de Koggenrandweg een fossiele kreek met een oeverwal aanwezig is. Aan de oppervlakte zijn hier fragmenten aardewerk uit de IJzertijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd gevonden. Verder is hier een gedempte sloot of kuil aangetroffen, die in ieder geval dateert van vóór de12e eeuw n. Chr. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een laatmiddeleeuwse dijk gevonden. Ten noorden van de Westfriesche Vaart is de bodem tot ca. 1 m beneden maaiveld verstoord, waarschijnlijk door grondverzet. Op de percelen waar een goede vondstzichtbaarheid heerste, werd slechts (sub)recent materiaal aan de oppervlakte aangetroffen.ADC ArcheoProjecten adviseert om in de gebieden met een hoge of middelhoge archeologische ver- wachting een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P), teneinde gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten te onderzoeken. Het betreft enkele proefsleuven in het deel van het plangebied ten zuiden van de Westfriesche Omringdijk. Er zal 5 tot 10 % van het plangebied opgegraven worden. Er dient in ieder geval een proefsleuf ter plaatse van de middeleeuwse sloot, bij boring 19, worden aangelegd. Ook dient het gebied direct ten zuiden van de Westfriesche Vaart, ter hoogte van de boringen 13 en 14, opgegraven te worden door middel van een proefsleuf, aangezien in deze boringen respectievelijk een kreekrug en een oeverwal zijn aangetroffen. Tenslotte wordt aanbevolen een sleuf te graven ter hoogte van de boringen 16, 17 en 18, aangezien hier waarschijnlijk oeverafzettingen aanwezig zijn. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Het is niet uit te sluiten dat buiten het voor vervolgonderzoek geselecteerde gebied toch nog archeologi- sche resten voorkomen. Daarom merken wij op dat het aanbeveling verdient om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in de Monumentenwet 1988 en de Wet op de Archeologische Monumentenzorg.