Qirion is voornemens om een kabeltracé tussen Renkum en Kattenberg (te Arnhem)
te vervangen. Het kabeltracé betreft een ondergrondse 150kV-verbinding, bestaande
uit vier kabelcircuits die uitgevoerd zijn als uitwendige gasdrukpijpkabel (buizen), die in
beheer is van TenneT. Hiervan zal één kabelcircuit vervangen worden en zal een loze
leiding worden voorzien van een nieuwe kabel. Bij het vervangen van de kabels zullen
graafwerkzaamheden plaatsvinden bij 35 moflocaties langs het tracé. Van de 35 moflocaties
zijn er op basis van het eerder uitgevoerde bureauonderzoek 15 geselecteerd voor een
archeologisch vervolgonderzoek door middel van boringen.
Vanwege de ligging van het plangebied op de stuwwal en de nabijheid van de Rijn-Maas
delta, is er een hoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum tot IJzertijd. Er zijn
talrijke AMK-terreinen die dateren uit deze periode in de omgeving van het plangebied,
voornamelijk grafheuvels. Verwachte resten uit deze periodes zijn voornamelijk resten van
uitgebreid landgebruik: jachtkampen uit het Laat-Paleolithicum tot Mesolithicum, tijdelijke
kampementen uit het Laat-Neolithicum of Vroege Bronstijd, en grafheuvels en vlakgraven
uit het Neolithicum tot IJzertijd. De verwachte diepte van de archeologische resten is binnen
1 m -mv. De oppervlakte van verwachte vindplaatsen varieert van 50 m2 tot 200 m2.
Er is een lage verwachting voor archeologische resten uit de Romeinse tijd tot de Vroege
Middeleeuwen. Dit gebied maakte geen onderdeel uit van het Romeinse rijk, hoewel het
door soldaten en handelaren bezocht kan zijn. In deze periode lagen nederzettingen vooral
op de hellingen van morenen, omdat deze locaties toegang hadden tot zoet water, wat
gunstig was voor bewoning en landbouw. Na het einde van de Romeinse tijd nam de
bevolking in dit gebied af en trad gedeeltelijke herbebossing op.1
Vanaf de Late Middeleeuwen is de archeologische verwachting middelhoog tot hoog,
aangezien de bevolking in het gebied toenam en landbouwpraktijken werden
geïntensiveerd. Langs het plangebied zijn talrijke vondstmeldingen uit deze periode bekend
en worden archeologische resten verwacht die samenhangen met landgebruik en
individuele bewoning. Vondsten bestaan uit aardewerk, metalen voorwerpen en
bouwmaterialen, met sporen zoals greppels, sloten en kuilen. Resten uit deze periodes
worden verwacht direct onder de bouwvoor.
Voor militair erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog is de verwachting middelhoog. Uit een
OO-onderzoek uitgevoerd door Sweco in 2025 blijkt dat het gebied onverdacht is op
ontplofbare oorlogsresten.2 Het plangebied ligt echter in drie aandachtsgebieden op de
Indicatieve Kaart Militair Erfgoed: de Landingszone L, het operatieterrein van Operatie
Market Garden en de Noordoever-Rijnlinie. Binnen slagvelden wordt rekening gehouden
met verspreide munitie-items en statische structuren, zoals resten van stellingen,
barricades, loopgraven en ondersteuningspalen. Voor een linie is er een archeologische
verwachting voor resten van infanteriegevechts- en observatieposten, geschutsopstellingen,
loopgraven, schachten, overdekte betonnen constructies, barricades en barakken. In een
landingszone kunnen parachutes en achtergelaten of gedropte uitrusting worden verwacht;
ook kunnen er greppels zijn uitgegraven als verzamelpunten.
Het veldwerk voor het inventariserende veldonderzoek is verricht op 29 en 30 januari.
Hierbij zijn 24 handmatige grondboringen verricht met behulp van een Edelmanboor met
een diameter van 7 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot 0,3 m in de C-horizont en/of tot een
maximale diepte van 3 m beneden maaiveld. Per moflocatie zijn er twee boringen geplaatst.
Het plangebied betreft een tracé waarbij de moflocaties zijn onderzocht. In de eerste 8
boringen zijn er afzettingen aangetroffen die verband houden met een mogelijke stuwwal.
De bodem bevat grind en de C-horizont is hier wat donkerder van kleur.
In de overige boringen zijn voornamelijk de smeltwaterafzettingen aangetroffen, behorende
tot de Formatie van Drente. De C-horizont is wat lichter van kleur en de boringen bevatten
afwisselende lagen met grind, matig fijn en matig grof zand.
Ter hoogte van boorpunt 12 is er een leemlaag aangetroffen die waarschijnlijk behoort tot
een beekdal. Het beekdal behoort tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven.
In boorpunten 1, 2, 4 t/m 6, 17, 18, 20, 23, 28 en 30 is er een deels intacte podzolbodem
aangetroffen. Daarbij is ter hoogte van boring 25, 26 en 27 de mogelijke spoorlaag in de
C-horizont nog (deels) intact aangetroffen. Hierbij blijft de archeologische verwachting
behouden voor moflocaties 5 t/m 7, 17, 19, 21 t/m 23 en 26.
Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt voor het
plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door
middel van een proefsleuvenonderzoek aanbevolen. Geadviseerd wordt om moflocaties 5
t/m 7, 17, 19, 21 t/m 23 en 26 voorafgaand aan de werkzaamheden door middel van een
proefsleuvenonderzoek te onderzoeken. De exacte wijze van uitvoering zal vooraf moeten
worden vastgesteld en vastgelegd in een Programma van Eisen.
Hierbij dient er ook rekening te worden gehouden met de verwachting op resten uit de
Tweede Wereldoorlog ter hoogte van moflocatie 11 en 12. Het Programma van Eisen zal op
voorhand moeten worden goedgekeurd door de bevoegde overheid (Gemeente Renkum en
Arnhem).
Selectieadvies bevoegd gezag
Het advies voor vervolgonderzoek voor de locaties 22 t/m 23 en 26 wordt onderschreven. In
aanvulling hierop zal ook locatie 17 moeten worden onderzocht. Voor locaties 5 t/m 7 en 19
t/m 21 dient eerst overleg plaats te vinden met de RCE maar ook deze locaties komen in
aanmerking voor vervolgonderzoek. Het vervolgonderzoek kan worden uitgevoerd in de
vorm van een proefsleuvenonderzoek voorafgaande aan de werkzaamheden.
Voor het proefsleuvenonderzoek moet er een PvE worden opgesteld dat moet worden
goedgekeurd door het bevoegd gezag, de gemeente Arnhem, Renkum en de RCE.
Afhankelijk van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kunnen de volgende
verplichtingen worden opgelegd:
De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering
van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden
behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende
bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht op basis van een door het
bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of de verplichting tot het doen van
vervolgonderzoek doormiddel van een opgraving op basis van een door het bevoegd gezag
goedgekeurd Programma van Eisen; of de verplichting de werken of werkzaamheden die
leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige; en de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit
te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan en het
archeologisch aangetroffen vondstmateriaal te deponeren bij het desbetreffende depot.