Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek
Op basis van het in januari/februari 2021 uitgevoerde bureauonderzoek blijkt dat er, op grond van de landschappelijke ligging, op de flank van Gooise stuwwal (met daluitspoelingswaaier-/sneeuwsmeltwaterafzettingen dan wel direct gestuwde afzettingen, eventueel afgedekt met dekzandafzettingen), in het plangebied rekening gehouden moet worden met het mogelijk voorkomen van archeologische resten daterend vanaf het Laat-Paleolithicum. Waarnemingen op deze stuwwal duiden op menselijke activiteiten in de periode Laat-Paleolithicum tot de IJzertijd. Vooralsnog zijn er in de gemeente Soest geen bewoningsresten uit de Brons- en IJzertijd bekend, maar getuige de aanwezigheid van grafheuvels kunnen dergelijke resten, ook in het plangebied, niet geheel uitgesloten worden. Over de aanwezigheid van bewoning in de Romeinse tijd bestaat vooralsnog geen zekerheid. De kans op het in het plangebied aantreffen van resten uit deze periode is zeer klein, maar kan niet geheel uitgesloten worden. Sporen van vroegmiddeleeuwse ontginningen zijn mogelijk wel aan te treffen. Als gevolg van in de jaren ’50 van de 20e eeuw en daarna uitgevoerd grondverzet ten behoeve van de inrichting van het plangebied als industrieterrein, de aanleg van funderingssleuven en bouwkuipen voor kelders, het graven van kabel- en leidingsleuven alsook ontgravingen in het kader van grondsaneringen en sloopwerkzaamheden, moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bodemverstoringen. Geadviseerd is een aanvullend archeologisch onderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een verkennend booronderzoek. Vanwege de fasering van de geplande ontwikkeling en de bijbehorende planning, is door de initiatiefnemer verzocht in een kort tijdsbestek het verkennend booronderzoek uit te voeren binnen het centrale tot noordoostelijke deel van het totale plangebied (zie bijlage 4). Voor het westelijke deel van het totale plangebied is reeds begin 2022 een archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat over het algemeen sprake is van een sterk verstoorde bodemopbouw en dat er verder geen aanwijzing zijn om nog restanten van een archeologische vindplaats te verwachten. Geadviseerd is voor het westelijke deel van het totale plangebied geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) bevestigen dat binnen het gehele plangebied recente/moderne bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd. De boringen laten tot een gemiddelde diepte van circa 110 cm -mv een opbouw zien van cunet-/bouwzand en vooral geroerde/verstoorde lagen grond zien. Ook komt plaatselijk een vermenging met resten/brokjes beton- en machinale baksteenpuin voor. De onverstoorde bodemopbouw betreft met een scherpe overgang direct het oorspronkelijk moedermateriaal. Het gaat om grindhoudende en afwisselend zwak tot matig siltige daluitspoelingswaaier-/sneeuwsmeltwaterafzettingen dan wel direct gestuwde afzettingen. Geen enkele boring heeft geresulteerd in het aantreffen van (restanten van) het oorspronkelijke/van nature gevormde bodemprofiel (geen veldpodzolbodems, welke werden verwacht vanuit het eerder uitgevoerde bureauonderzoek). Het laat zien dat binnen het gehele plangebied/voormalig industrieterrein de oorspronkelijke bodemopbouw is verstoord/er reeds grootschalige bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat op basis van de resultaten van het booronderzoek, waarbij sprake is van een sterk verstoorde bodemopbouw (geen restanten van het van nature gevormde bodemprofiel aangetroffen), er geen aanwijzing zijn om nog restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een (middel)hoge verwachting gold voor de perioden vanaf het Laat-Paleolithicum, kan dan ook worden bijgesteld naar een lage verwachting.
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Er is sprake van een sterk verstoorde bodemopbouw binnen het plangebied. Het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau lijkt reeds volledig te zijn verstoord/vergraven.
Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).