Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (15180.002) Sint Jansgildestraat - Eltenseweg te Beek

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachtingOp basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied/tracé een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit alle periodes vanaf het Laat-Paleolithicum t/m de Middeleeuwen. Dit op basis van de landschappelijke ligging, binnen het stuwwalrandlandschap van Montferland waar gordeldekzanden zijn gesedimenteerd, in de vorm van gordeldekzandruggen en -glooiingen. Door zijn gradiëntsituatie had het plangebied/tracé in principe al een gunstige ligging voor Jagers-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum). De gunstige ligging voor Landbouwers geldt vooral vanwege het voorkomen van voldoende areaal aan goed ontwaterde en tevens vruchtbare gronden. Ook vanaf de Middeleeuwen behield het plangebied zijn gunstige ligging als bewoningslocatie, echter vanaf deze tijd concentreert bewoning zich meer in dorpen en bewoningsclusters. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat in de Nieuwe tijd het noordelijke deel van het plangebied/tracé langs de oostzijde van de dorpskern van Beek liep. De voorlopers van de Sint Jansgildestraat en de Eltenseweg waren al sinds langere tijd in gebruik als zandweg, waarlangs oude-bouwlandgronden voorkwamen. De loop van deze voorlopers, als zandwegen, komt echter niet exact overeen komt met de huidige loop van de Sint Jansgildestraat en de Eltenseweg. De hoge verwachting wordt tevens ondersteund door de resultaten van eerder uitgevoerde gravende onderzoeken op percelen nabij/langs het plangebied/tracé, waarbij onder andere restanten van een grafveld uit de Late-Bronstijd en/of de Vroege-IJzertijd en een tweetal boerderijplattegronden met bijbehorende randstructuren en karrensporen uit de Middeleeuwen (Karolingische periode en Volle-Middeleeuwen) zijn aangetroffen. De karrensporen geven aan dat de voorlopers van de Sint Jansgildestraat/Eltenseweg, destijds als zandwegen niet exact overeen komt met de huidige loop van deze wegen.Resultaten inventariserend veldonderzoekDe resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) laten zien dat ter plaatse van het noordelijke deel van de Sint Jansgildestraat en het aan beide zijde aangrenzende dorpsplein, reeds tot variërende dieptes bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd. Onder het verstoringsniveau is veelal sprake van een scherpe overgang naar de C-horizont. Deze verstoringen reiken tot minimaal 55 en maximaal 220 cm -mv, waarbij hieronder veelal een scherpe overgang plaatsvind naar de C-horizont. De boringen gezet in het centrale en zuidelijke deel van de Sint Jansgildestraat laten een afwisselend beeld zien met een (diepgaande) verstoorde bodemopbouw (tot gemiddeld 160 cm -mv) en dan weer een deels intacte bodemopbouw. Het laatste bestaat veelal uit een intact/onverstoord restant van een plaggendek tussen gemiddeld 60 en 110/120 cm -mv, met hieronder nog een deel van het nature gevormde holtpodzolprofiel (bruine bosgrond) vanaf de BC-horizont. De doorgezette boringen binnen het tracé van de Eltenseweg laten ook een merendeels intacte bodemopbouw zien, in de vorm van een onverstoord deel van een plaggendek, gevolgd door nog een intact restant van een holtpodzolbodem/bruine bosgrond. Het humeuze dek/plaggendek is van voldoende dikte om te spreken van een hoge bruine enkeerdgrond, daar waar nog sprake is van een (deels) intacte bodemopbouw. Op basis van de verkennende fase van het booronderzoek geldt dan ook dat binnen delen van het plangebied/tracé sprake is van een intact potentieel archeologisch sporenniveau. Verder geldt dat binnen delen van de wegtracés van de Sint Jansgildestraat en de Eltenseweg, lagen met massieve verhardingen/massieve brokken puin en lagen kiezels/grote stenen¬ zijn aangebracht. Voor deze weg wegtracés geldt niet dat er sprake is van een verhoogde ligging. De verwachting is dat hiervoor een deel van de oorspronkelijke bodemopbouw zal zijn vergraven.Het opgeboorde en vervolgens gezeefde materiaal heeft alleen in het geroerde deel van de bodemopbouw resten bouwpuin/bouwafval (betonpuin, machinale baksteen) opgeleverd. Bij de boringen gezet op het dorpsplein is tevens plaatselijk een vermenging met keien/stenen en kolengruis waargenomen. Deze zijn vanuit archeologisch oogpunt niet relevant. Archeologisch relevante indicatoren zijn niet aangetroffen in het zeefresidu. Afgezien van een al dan niet deels intact plaggendek ontbreekt het ook verder aan door de mens gevormde oude/fossiele cultuurlagen/antropogene lagen.Conclusie Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek geen aanwijzing zijn om nog restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een hoge verwachting gold voor de perioden (Laat)-Paleolithicum t/m Middeleeuwen, kan dan ook worden bijgesteld naar geen verwachting. Voor de periode Nieuwe tijd was de verwachting al laag.AdviesOp grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Binnen delen van het plangebied/tracé (en daarbij vooral in het noordelijke deel van de Sint Jansgildestraat en het dorpsplein), is sprake van een sterk verstoorde bodemopbouw (archeologisch potentiële sporen-/vondstniveau is sterk aangetast dan wel volledig verwijderd). Daarnaast zijn er geen archeologisch relevante indicatoren aangetroffen tijdens het onderzoek. Een archeologische vindplaats wordt niet meer verwacht binnen het plangebied/tracé. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Date Accepted: 09-12-2021

Date Accepted: 2021-12-09

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-za7-zqf5
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-za7-zqf5
Provenance
Creator EMILE ten Broeke
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor E.M. Broeke, ten; EMILE ten Broeke (Econsultancy); Econsultancy
Publication Year 2021
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact E.M. Broeke, ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 11603; 15425500; 11529; 1107; 5202
Version 1.0
Discipline Humanities