Laagland Archeologie heeft in augustus-september 2023 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Lendenstraat 1 te Laag-Keppel. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom geplande grondwerken en aanplant van een boomgaard.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied op hooggelegen terrasresten langs een restgeul. Deze zijn kenmerkend voor een voormalig vlechtend riviersysteem. Op de gemeentelijke geomorfologische kaart ligt binnen het plangebied een verhoogde woonplaats. Bodemkundig zijn voornamelijk ooivaaggronden (hoogten) en in mindere mate poldervaaggronden (laagten) te verwachten. Het gaat hierbij om afzettingen van de Laag van Wijchen, Formatie van Kreftenheye (oude rivierkleien).In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit de Late Middeleeuwen bekend. Resten uit deze periode kunnen ook in het plangebied worden verwacht. Vanaf de topografische kaart van 1866 staat er een pad over het erf aangegeven die naar een voorde ten noordoosten van het plangebied leidde. Deze is niet terug te vinden op de kadastrale minuut, maar was toen waarschijnlijk vooral voor eigen gebruik. Het kan wel heel goed zijn dat de weg langs deze voorde in het verleden belangrijker was. De boerderij binnen het plangebied was in ieder geval een pachtboerderij over een periode van ongeveer 500 jaar. Waarschijnlijk gaat het betreffende erf terug tot de Late Middeleeuwen, maar is mogelijk ouder. Uit oude kaarten blijkt dat rekening is te houden met bodemverstoring als gevolg van bebouwing en recente bodemingrepen, met name in de zuidoostelijke hoek. Bij de bebouwing zijn ophogingen te verwachten. Er geldt een hoge verwachting voor resten uit de periode Laat-Paleolithicum tot Vroeg-Neolithicum (jager-verzamelaars) en een hoge verwachting voor resten van latere perioden (landbouwers), voor wat de Late Middeleeuwen betreft specifiek samenhangend met het middeleeuwse erf. Verder geldt voor het oostelijke plangebied (beekdal) een algemeen lage verwachting op het aantreffen van resten van water-gerelateerde activiteiten, omdat de beekdalen in het verleden een belangrijke functie hebben gehad voor infrastructuur, voedselvoorziening, drinkwater en rituelen (deposities). De trefkans van deze veelal ?punt-? of ?lineaire? elementen is laag, maar indien aanwezig, is de conservering naar verwachting goed. Wel is er een hoge archeologische verwachting ter hoogte van de voorde in het noordelijke plangebied (dat verder niet is onderzocht in het kader van dit project).Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het oostelijke plangebied, ter hoogte van de aan te leggen poel, archeologische sporen bevat. Voor de rest van het plangebied wordt de archeologische verwachting gehandhaafd. Omdat de bodemingrepen daar beperkt blijven, worden eventuele archeologische resten niet bedreigd.Om deze reden adviseren we geen vervolgonderzoek uit te voeren en het oostelijke onderzoeksgebied vrij te geven. Omdat de voorziene bodemingrepen in het westelijke onderzoeksgebied beperkt blijven wordt een behoud in-situ geadviseerd. Verder wordt geadviseerd de huidige dubbelbestemming ?Waarde ? Archeologische verwachting 1? te handhaven (zie Bijlage 11).Als een behoud in-situ niet tot de mogelijkheden behoort wordt op basis van de onderzoeksresultaten nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems).Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Bronckhorst, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, de regio-archeologen van de Omgevingsdienst Achterhoek.Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (033 421 74 56) of via de website: www.cultureelerfgoed.nl/contact.