Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied in het algemeen een lage verwachting op de aanwezigheid van resten en sporen van (tijdelijke) bewoningsactiviteiten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Neolithicum, Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Alleen een middelhoge verwachting/trefkans geldt nog voor beekgerelateerde resten, zoals attributen voor jacht en visvangst, dumpzones en rituele deposities (puntlocaties). Het plangebied ligt namelijk binnen een gebied van dalvormige laagten van het beekdal van de Donge. Deze onder (vrij) natte omstandigheden gevormde landschapselementen vormden geen gunstige (tijdelijke) bewoningslocaties. De voorkeur werd gegeven voor de hoger gelegen dekzandruggen en de flanken hiervan, welke zich bevinden verder ten noorden van het plangebied. Deze voorkeur blijkt ook uit vondsten in de omgeving. Desalniettemin hadden beekdalen wel een grote aantrekkingskracht op mensen die in het gebied rondtrokken (Jager-Verzamelaars), omdat de beek mogelijkheden bood tot visvangst en het bejagen van dieren die naar de beek trokken. Verder was het beekdal een bron van (drink)water en was er een rijke vegetatie voorhanden als voedselbron.
In de perioden Bronstijd t/m de Vroege-Middeleeuwen was het plangebied waarschijnlijk overveend, wat betekent dat de verwachting op vondsten uit deze periode zeer laag is. Daarnaast is het hoogveenpakket in de Late-Middeleeuwen ontgonnen/afgegraven, waardoor eventueel voorheen aanwezige archeologische resten uit de perioden Bronstijd t/m de Vroege-Middeleeuwen reeds zullen weggegraven dan wel niet meer een ligging hebben in situ.
Na de veenwinning is het gebied ontgonnen ten behoeve van agrarisch gebruik. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat grote delen van de zones aan weerszijde van de Donge een vrij drassig/moerasachtig gebied betrof en eigenlijk alleen geschikt was voor het gebruik als graasgebied voor het vee in de droge zomerperioden (zeer natte graslanden gedurende winterperioden). Verder zijn er geen aanwijzingen dat binnen het plangebied een historisch erf heeft gelegen (bijvoorbeeld geen afwijkend verkavelingspatroon zichtbaar). De bestaande woonboerderij is pas rond begin jaren ’30 van de 20e eeuw gebouwd.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten een verstoorde bodem-opbouw zien binnen het plangebied. Ten gevolge van recente bodembewerking (meest waarschijnlijk het gevolg van diepploegwerkzaamheden uitgevoerd direct na de moderne herverkaveling in de jaren ’80 van de 20e eeuw) komen tot een diepte van gemiddeld 90 cm -mv geroerde/verstoorde lagen grond voor. Dit is het duidelijkst zichtbaar in lagen waarin vlekken van ‘geel’ zand te zien zijn, ten gevolge van opmenging van zand van de oorspronkelijke C-horizont vermengd met humeus zand. Restanten van het van nature gevormde bodemprofiel zijn in géén van de boringen aangetroffen en de overgang naar de onderliggende C-horizont (beekdalafzettingen) is ook vlekkerig.
Conclusie
Op basis van de aangetroffen bodemopbouw blijkt dat er in het gehele plangebied diepgaande recente bodemverstoringen/vergravingen hebben plaatsgevonden, waardoor het archeologisch potentiële sporen- als vondstniveau volledig verstoord is en eventueel voorheen hierin voorkomende archeologische resten dan ook niet meer in situ worden verwacht. Geconcludeerd wordt dat de in het algemeen lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische waarden bevestigd en dat de middelhoge verwachting voor beekgerelateerde resten bijgesteld dient te worden naar een lage verwachting.
Advies
Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden/de verstoorde bodemopbouw, adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden.
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).