Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden voor de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Deze verwachting is vooral gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied binnen een rivierduincomplex. In de tijd van de Jagers-Verzamelaars (einde Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) zullen de hoger gelegen rivierduinen al een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie. Ook vanaf het Neolithicum vormde deze landschappelijke eenheden gunstige locaties voor permanente bewoning door Landbouwers. Hierbij vormde vooral de overgangsposities, zoals de flanken van rivierduinen, de meest gunstige locaties voor bewoning. Binnen het onderzoeksgebied zijn tijdens niet-archeologische graafwerkzaamheden, een noodopgraving (rond begin jaren ’90 van de 20e eeuw) en veldkarteringen (o.a. door de lokale AWN) diverse vondsten gedaan uit zowel de Steentijd, de Late-Prehistorie als de Middeleeuwen. Het laat zien dat het rivierduinencomplex, waar Silvolde op ligt, gezien werd als een aantrekkelijk/gunstig woongebied voor zowel Jagers-Verzamelaars als voor Landbouwers. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag, aangezien uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf in ieder geval het begin van de 19e eeuw grotendeels in gebruik was als bouwland/akkerland. Tevens is het plangebied tot eind jaren ’60 van de 20e eeuw onbebouwd gebleven en zijn er geen aanwijzingen zijn dat er binnen het plangebied een historisch erf heeft gelegen. Daarnaast heeft er waarschijnlijk in de zuidwestelijke helft van het plangebied een hooggelegen rivierduin gelegen, welke aangeduid werd als de Galgenberg (waar in het verleden ook executies zijn uitgevoerd). Deze berg blijkt ten behoeve van zandwinning in de eerste helft van de 20e eeuw al grotendeels te zijn afgegraven. Enige restanten zijn vervolgens in de tweede helft van de 20e eeuw weggegraven, ten gevolgde van de realisatie van de bestaande fabrieksgebouwen.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) bevestigd duidelijk dat deze afgraving/zandwinning heeft plaatsgevonden. In het zuidwestelijke en centrale deel van het plangebied, zijn de bebouwde terreindelen (fabrieksterrein en caravanstalling), is sprake van een recent geroerde/verstoorde bodemopbouw tot gemiddeld 100 cm -mv en vindt een scherpe overgang plaats direct naar de 1C-horizont. Restanten van het oorspronkelijke bodemprofiel zijn niet waargenomen. Onder het verstoringsniveau is verder sprake van de klassieke opbouw, zijnde rivierduin- op vlechtende rivierterrasafzettingen en met een tussengelegen Laag van Wijchen. Diepgaande bodemverstorende ingrepen, tot minimaal 210 cm -mv dan wel dieper, zijn ook waargenomen in het noordelijke deel plangebied. Een scherpe overgang is aanwezig direct naar nog een restant van het pakket rivierduinafzettingen (1C-horizont). In de noordhoek van het plangebied reiken verstoringen tot in de vlechtende rivierterrasafzettingen (2C-horizont), waar navolgend nog een zeer dik pakket zand (tot bijna 4 meter) is aangebracht.
Alleen de boringen gezet in het noordoostelijke deel van het plangebied laten onder een opgebrachte laag humeuze grond, welke meest dik is in het meest zuidoostelijke deel van het grasveld (circa 110 cm) en in noordwestelijke richting afneemt (tot circa 15 cm), een merendeels intacte vorstvaaggrond/holtpodzolbodem zien. Deze bestaat uit een voormalige bouwvoor (1Apb-horizont) met hieronder nog een intact restant van een verwerings-/verbruinings-1Bws-horizont en navolgend een overgangs-1BC-horizont. Voor het noordoostelijke deel van het plangebied geldt dan ook dat het archeologisch potentiële vondstniveau al wel deels is aangetast, echter het potentiële sporenniveau is nog wel merendeels intact aanwezig. De potentiele archeologische vondstlaag betreft de voormalige bouwvoor en het niveau waarop archeologische sporen meest zichtbaar zullen zijn (indien aanwezig) bevindt tussen 65 en 80 cm -mv (noordwestelijk) dan wel tussen 135 en 160 (zuidoostelijk) cm -mv.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het noordoostelijke deel van het plangebied (circa 3.500 m², zie figuur 17), vanwege de merendeels intacte oorspronkelijke bodemopbouw, zijn hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Middeleeuwen behoudt. Voor het zuidwestelijke en centrale deel als het noordelijke deel van het plangebied, waar diepgaande bodemverstoringen zijn waargenomen en restanten van de oorspronkelijke bodemopbouw niet zijn waargenomen, kan deze hoge verwachting bijgesteld worden naar een lage verwachting.
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen een oppervlakte van circa 3.500 m², zijnde het noordoostelijke deel van het plangebied (zie figuur 17), een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Door de geplande ingreep (afgraven tot op het “gele” zand (top van de 1C-horizont)) zal hier het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau worden verstoord. De verwachting op het voorkomen van archeologische waarden is hoog, waarbij in de nabijheid van het plangebied (binnen 200 meter) diverse vondsten zijn gedaan, van vuurstenen fragmenten/gereedschappen uit de Steentijd en aardewerkfragmenten uit de Late-Prehistorie (o.a. IJzertijd) als uit de Middeleeuwen. Het advies is daarom om het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Oude IJsselstreek).
Voor het zuidwestelijke en centrale deel als het noordelijke deel van het plangebied wordt, vanwege de diepgaande bodemverstoringen en het ontbreken van restanten van de oorspronkelijke bodemopbouw, geadviseerd geen vervolgonderzoek/aanvullend onderzoek te laten uitvoeren.
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. Ten aanzien van het zuidwestelijke en centrale deel als het noordelijke deel van het plangebied kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten. Mochten hier tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).