Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (18764.001) Bijsterhuizen 40-08 te Wijchen

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied in het algemeen een lage archeologische verwachting. Alleen voor de zuidelijke helft/het zuidelijke deel van het plangebied geldt een verhoogde trefkans voor de perioden (Laat-)Paleolithicum tot en met de Vroege-Middel-eeuwen. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied binnen het rivierterrassenlandschap en dat daarbij de zuidelijke helft/het zuidelijke deel van het plangebied specifiek een verwachte ligging heeft binnen een verlande (Pleistocene) restgeul en de noordelijke helft/het noordelijke deel binnen een terrasrest van het Pleniglaciale Laagterras. De restgeul zal een aantrekkingskracht hebben gehad op wild, waarop kon worden gejaagd door vooral Jagers en Verzamelaars. Voor Landbouwers werd de verlande restgeul mogelijk gezien als geschikte locatie als dumpzone voor afvalresten. Voor bewoning zal men eerder hebben gekozen voor de ten zuiden gelegen rivierduinen, wat ook blijkt uit eerder uitgevoerd gravend onderzoek op locaties gelegen binnen het rivierduinenlandschap. Voor de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd is de verwachting laag, aangezien historisch kaartmateriaal geen aanwijzingen geeft voor historische huisplaat-sen/(boeren)erven binnen de begrenzing van het plangebied. Deze lagen juist langs de ten zuiden gelegen Woeziksestraat (circa 150 meter ten zuiden).

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) bevestigt de ligging van het gehele plangebied binnen het rivierterrassenlandschap. Onder de recent opgebrachte halfverhardingslaag van gebroken puin komen komafzettingen/overstromingsafzettingen voor met een 40 cm dikke, agrarisch bewerkte top (door ploegwerkzaamheden) en het aanwezige bodemtype betreft een kalkloze poldervaaggrond. Het pakket komafzettingen/overstromingsafzettingen van veelal zwak zandige en plaatselijk uiterst siltige klei, welke voornamelijk zal zijn gesedimenteerd gedurende het Midden- tot Laat-Holoceen, is aanwezig tot minimaal 60 en maximaal 140 cm -mv, gemiddeld tot 95 cm -mv. Hieronder komt de Laag van Wijchen (hoogvloedleem) voor, bestaande uit sterk zandige klei/leem tot sterk kleiig, zeer fijn zand, en dekt matig fijne tot matig grove zanden af, welke vlechtende rivierterrasafzettingen behorend tot het Laat-Pleniglaciale Laagterras. Variaties in het paleoreliëf van het terrasrest bepalen de dikte van de bovenliggende Laag van Wijchen als de Holocene komafzettingen/overstromingsafzettingen.

De liggen van de zuidelijke helft/het zuidelijke deel van het plangebied binnen een verlande (Pleistocene) restgeul wordt echter niet bevestigd. Alleen in het uiterst noordoostelijke deel van het plangebied is een dikker pakket Holocene komafzettingen/overstromingsafzettingen aangetroffen, evenals een laag venige klei duidend op een periode van zeer natte-drassige condities en daarmee enige veengroei, welke zich zal hebben beperkt tot een restgeul. Daarmee kan het uiterst noordoostelijke deel van het plangebied nog net gerekend worden tot een restant van (relatief ondiepe) vlechtende geul van het Laat-Pleniglaciale Laagterras. Het ligt wel op (grotere) afstand van de overgang naar het rivierduinengebied, oftewel, er is binnen de begrenzing van het plangebied geen sprake van een landschappelijke ligging van een restgeul gelegen grenzend aan het rivierduinenlandschap. Het door middel van versnijden/verkruimelen en vervolgens visueel inspecteren van het opgeboorde materiaal hebben geen archeologische indicatoren dan mogelijk archeologische relevante lagen opgeleverd.

Conclusie Op basis van de resultaten van het booronderzoek wordt geconcludeerd dat het gehele plangebied een lage verwachting heeft/gehandhaafd kan blijven voor alle archeologische perioden vanaf het (Laat-)Paleolithicum. Tevens is in de zuidelijke helft/het zuidelijke deel van het plangebied geen sprake van een verlande restgeul, waardoor de verhoogde trefkans op losse vondsten dan wel dumpzone met afvalresten afgeschaald kan worden. Er zijn geen aanleidingen meer om binnen het plangebied nog een archeologische vindplaats te verwachten, waarmee er geen gevolgen zijn voor de voorgenomen bodemingrepen.

Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Voor het gehele plangebied geldt, op basis van de aangetroffen, een lage archeologische verwachting en er zijn geen archeologische indicatoren dan wel mogelijk archeologische relevante lagen aangetroffen. Er is dan ook geen aanleiding meer om binnen het plangebied een archeologische vindplaats te verwachten.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/VYPVLJ
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/VYPVLJ
Provenance
Creator Broeke, E.M. ten
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, E.M. ten; Econsultancy
Publication Year 2022
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, E.M. ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 10989373
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem