De opdrachtgever heeft het voornemen om in een plangebied op de Herengracht te Terneuzen (gemeente Terneuzen) nieuwe rioleringen aan te leggen, waarbij tot 1,7 m -mv zal worden ontgraven. De werkzaamheden zijn onderdeel van het Totaalplan Binnenstad Terneuzen. In het kader van dit Totaalplan is eerder een Archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd.In het kader van de hiertoe benodigde omgevingsvergunning voor een Binnenplanse OmgevingsPlanActiviteit (OPA) heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. Hierbij is het verwachtingsmodel uit het eerdere bureauonderzoek getoetst.Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan het volgende gesteld worden: - In het plangebied zijn dempingslagen en vullingen aanwezig die te relateren zijn aan de laat-16de-eeuwse vestinggracht van Terneuzen.- Tijdens de aanleg van de vestinggracht is de natuurlijke ondergrond vergraven tot diepten variërend van 4,00 m -mv/ 0,98 m -NAP tot meer dan 5,75 m -mv/ 2,04 m -NAP. Een restant van de natuurlijke ondergrond is enkel in boring 3 bereikt en bestaat daar uit oude geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren, met de resterende bovenzijde op 4,00 m -mv/ 0,98 m -NAP. Voor het overige bestaan de boorprofielen uit grachtvullingen afgedekt door opgebrachte lagen.- De meest noordelijke boring (boring 4) is op 4,25 m -mv/ 1,39 m -NAP gestuit op massief (bak)steenwerk. Wellicht betreft dit een deel van een historisch bekende sluis uit de Nieuwe Tijd.- Na 1825 maakte de vestinggracht ter plaatse van het plangebied tijdelijk deel uit van de oostelijke kanaalarm van het Kanaal Gent-Terneuzen; in de tweede helft van de 19de eeuw volgde hier echter demping van de vestinggracht. Nadien kwam het plangebied in gebruik als openbare weg.- Voor het hele plangebied valt nog uit te gaan van een hoge verwachting op restanten van de vestinggracht uit te Nieuwe Tijd. Ten aanzien van de dempingslagen (tweede helft 19de eeuw) geldt deze verwachting op diepten vanaf 0,50 m -mv/ 2,76 m +NAP. Ten aanzien van grachtvullingen (16de tot en met 19de eeuw) geldt deze verwachting op diepten vanaf 1,55 m -mv/ 1,71 m +NAP. Een verwachte vindplaats in de vorm van een mogelijk sluisrestant bevindt zich in het noorden van het plangebied op 4,25 m -mv/ 1,39 m -NAP. Ook gelden nog hoge en middelhoge verwachtingen voor perioden tot en met het Vroeg-Neolithicum op en in pleistocene afzettingen, in elk geval dieper dan 4,25 m -mv/ 1,39 m -NAP.