In opdracht van de provincie Limburg (afdeling Infra-Projecten) werd in de periode vanaf 26 oktober tot en met 16 november 2006 door BILAN de archeologische begeleiding verzorgd van de graafwerkzaamheden bij de aanleg van een deel van de wegcunetten voor de N280-Oost ten oosten van Roermond, gemeente Roermond en Swalmen (Limburg).Voor de N280-Oost werd op grond van de resultaten van een archeologisch vooronderzoek het tracé gekozen dat de minst mogelijke verstoring van het bodemarchief zou opleveren. Dat delen van het aan te leggen tracé toch door gebieden met een hoge archeologische verwachting liepen kon daarbij niet worden voorkomen. Bij gebrek aan voldoende informatie om tot een archeologische waardestelling te komen voor het uiteindelijke traject van de N280-Oost werd een archeologische begeleiding van de bodemverstorende graafwerkzaamheden, voor de aanleg van de wegcunetten noodzakelijk geacht. Het cunet van de N280 met een gemiddelde breedte van 40 m, diende over een lengte van ca. 2 km archeologisch begeleid te worden, wat resulteerde in de archeologische begeleiding van een totale oppervlakte van ca. 8 ha. Het meest oostelijke gedeelte van dit actief te onderzoeken tracé-deel was bij aanvang van de graafwerkzaamheden echter reeds verstoord of was al opgehoogd waardoor archeologische begeleiding niet zinvol bleek.Tijdens de begeleiding van de graafwerkzaamheden werd in het westelijk deel van het actief te begeleiden tracé slechts een beperkt aantal sporen aangetroffen. Het betrof een aantal recente ondiepe brandkuilen, een cluster kuilen dat gegraven werd t.b.v. waarschijnlijk ijzerwinning en een cluster kuilen dat in eerste instantie waarschijnlijk gegraven werd voor opslag en secundair gebruikt werd als brandkuil. De beide kuilen-clusters dateren uit de (late) ijzertijd. Naast bovengenoemde sporen werden bij de aanleg van het wegcunet verspreid over het vlak fragmenten aardewerk en vuursteen gevonden daterend uit de periode vanaf het Mesolithicum tot in de late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Evenals deze resten werden de kuilen, die in een tweetal zandruggen werden aangetroffen, niet in enig verband tot andere (nederzetting)sporen aangetroffen. Mogelijk betreft het locaties waarvan men eenmalig gebruik heeft gemaakt of het zijn de (resten van) sporen van activiteiten die zich in de periferie van een nederzetting hebben afgespeeld. In aanvulling hierop dient vermeld te worden dat in het tracé geen aanwijzingen gevonden werden voor de aanwezigheid van een Romeinse weg.Op grond van de bovengenoemde onderzoeksresultaten mag worden geconcludeerd dat er in het onderzochte tracé geen sprake is van archeologische vondstniveaus of resten van (een) archeologische nederzetting(en). Wel mag het aantreffen van de kuilen - clusters uit de late ijzertijd als bijzonder worden aangemerkt. Eventueel in de (directe) nabijheid van deze vindplaatsen uit te voeren onderzoek dient dan ook rekening te houden met het aantreffen van archeologische (nederzettings-) resten die aan deze kuilen gerelateerd zijn of uit dezelfde perioden dateren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan primaire productieovens om ijzer uit te winnen en of resten van nederzettingsstructuren waar de productie van (locaal) aardewerk heeft plaatsgevonden.Met de uitvoering van de archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden voor het wegcunet van de N280 – Oost en de rapportage van de resultaten is voldaan aan de eis tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek en kunnen de tijdens onderhavig onderzoek aangelegde tracé-delen worden vrijgegeven.Deze aanbeveling betreft een selectieadvies. Dit advies dient door het bevoegd gezag te worden omgezet in een selectiebesluit.
Deel I N280 – Oost, archeologische tracébegeleiding
Deel II N293 – Noord, archeologische tracébegeleiding