AAC heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Burchtstraat 6/8 te Rossum, gemeente Maasdriel.
Aanleiding voor het onderzoek is het voornemen nieuwbouw toe te voegen in het plangebied. De exacte ligging en oppervlakte van
de nieuwbouw staat ten tijde van onderhavig onderzoek nog niet vast. De oppervlakte van de bodemverstoring bedraagt circa 350
m², waarvan circa 150 m² vergunningsvrij, de verstoringsdiepte is nog niet bekend. Omdat de verwachting is dat realisatie van de
plannen kan leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische waarden wordt onderhavig
bureauonderzoek uitgevoerd.
Het plangebied stond tot de aanleg van de Waaldijk onder invloed van de stroomgordel van de Waal-Merwede welke actief werd in
de laat-Romeinse tijd. In het midden-neolithicum stond het plangebied onder invloed van een naamloze stroomgordel (pre-Lith)
welke direct ten westen van het plangebied heeft gelegen. Ten zuiden van het plangebied lag een crevasse van de Waal. Vanaf circa
1,25 m +NAP (5 m -mv) liggen Pleistocene terrasafzettingen uit het Laagpakket van Kreftenheye. Op basis van een geologische
boring vlak bij het plangebied lijkt er sprake te zijn een oeverwal direct op het Pleistocene zand. De top van deze oeverwal ligt op
3,2 m -mv. Op de oeverwal ligt een veenlaagje dat is gevormd in een rustige periode achter de oeverwal (3-3,2 m -mv, 1,4-1,2 m
+NAP). Na een doorbraak van de oeverwal zijn er oever/crevasseafzettingen in het plangebied afgezet.
Het plangebied ligt aan de noordrand van de historische kern van Rossum. Aan de oostkant van Rossum, circa 920 m ten oosten
van het plangebied, heeft een Romeins castellum gestaan. Rossum wordt zelf voor het eerst aan het einde van de 9e eeuw
genoemd. Direct ten noorden van het plangebied werd vanaf 1327 de Waaldijk aangelegd. Het noordoosten van het plangebied ligt
op de flank van deze dijk. In 1599 was Rossum onderdeel van het beleg van Zaltbommel waarbij er in het dorp veel verwoestingen
hebben plaatsgevonden. O.a. het kasteel van Rossum is hierbij vernield. Het plangebied zelf was begin 19e eeuw in gebruik als
boomgaard. In 1873 wordt het buitenverblijf De Veentjes gebouwd.
Omdat onbekend is wat de exacte diepteligging en conservering is van het Pleistocene niveau geldt er voor vindplaatsen van jagerverzamelaars uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum een onbekende verwachting. Ook voor het laat-neolithicum
tot en met de midden-ijzertijd is de verwachting onbekend. Deze resten zullen op de oeverwal van de naamloze pre-Lith
stroomgordel liggen, maar het is onbekend in welke mate deze doorloopt in het plangebied. Op basis van vondstmeldingen in de
omgeving van het plangebied en de verwachte oeverwal van de Waal-Merwede stroomgordel heeft het plangebied een
middelhoge verwachting op bewoningsresten van de late-ijzertijd tot en met de late middeleeuwen. Voor resten van landgebruik
uit de nieuwe tijd is de archeologische verwachting ook middelhoog. Er geldt ook speciaal een middelhoge verwachting op resten
van het beleg van Zaltbommel van 1599.
Omdat de geplande bodemverstoringen maximaal 350 m² zullen bedragen wordt geadviseerd in het kader van de huidige plannen
geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. De gemeente onderschrijft dit advies. Verder is het advies om bij toekomstige
werkzaamheden groter dan 500 m² en dieper dan 30 cm -mv wel een verkennend booronderzoek uit te voeren, conform de
archeologische beleidskaart.
Hoewel getracht is een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden, kan de
aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in de gebieden waarvoor geen
vervolgonderzoek wordt aanbevolen. BAAC wil er daarom op wijzen dat men bij bodemverstorende activiteiten alert dient te zijn
op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen). Bij het aantreffen van deze waarden
dient men hiervan, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet en afdeling 19.2 Omgevingswet, zo spoedig mogelijk melding te maken
bij de minister van OC&W (in de praktijk de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) en bij de gemeente.