Laagland Archeologie heeft in november 2018 een Inventariserend veldonderzoek - karterende fase uitgevoerd op het terrein van de residentie Mariëndaal aan de Tolschestraat 2 te Velp, gemeente Grave (NB). Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure vanwege het voornemen op het terrein een parkeerterrein in te richten. In het kader van de herinrichting van de N324 is in een eerder stadium een bureauonderzoek uitgevoerd, dat tevens het plangebied omvat: het plangebied ligt op een terrasvlakte en is afgedekt met dekzand. Archeologische resten kunnen worden aangetroffen in de top van het dekzand en kunnen dateren uit het Laat-Paleolithicum tot Nieuwe tijd. Zuidelijk aangrenzend aan het plangebied is een karterend booronderzoek uitgevoerd waarbij een enkeerdgrond is aangetroffen met plaatselijk eronder een BC-horizont. Gezien de aanwezigheid van een grotendeels intact cultuurdek kan de aanwezigheid van nederzettingsresten of andere lokale resten, zoals graven, niet worden uitgesloten. Voor deze zone is dan ook in het kader van de geplande bodemingrepen derhalve vervolgonderzoek aanbevolen. Archeologische resten kunnen vanaf 60 cm –Mv worden verwacht. De huidige onderzoeksopzet is gebaseerd op de resultaten van het reeds uitgevoerde karterend booronderzoek, direct ten zuiden van het huidige plangebied. Op basis van deze resultaten heeft de opdrachtgever vanaf het begin van dit onderzoek ingestoken op een karterend booronderzoek. Het karterend booronderzoek had tot doel om het boven beschreven archeologisch verwachtingsmodel te toetsen en eventueel aanwezige vindplaatsen op te sporen. Hiertoe zijn een aantal onderzoeksvragen opgesteld (zie paragraaf 3.2). Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans groot dat het plangebied archeologische sporen bevat. Er zijn veel archeologische indicatoren en vondsten aangetroffen in het plaggendek. Dit zijn voornamelijk vondsten die middels bemesting en/of dumpen van huisvuil zijn opgebracht. Vanwege de datering van een aantal vondsten lijkt er een relatie te zijn tussen de vondsten en de aanwezigheid van het Jezuïetenorde vanaf 1862. Hoewel er, overeenkomstig de bevindingen uit het onderzoek van RAAP in de N324, onder het plaggendek geen archeologische indicatoren zijn gevonden, wordt de hoge archeologische verwachting gehandhaafd. Om deze reden adviseren vervolgonderzoek uit te voeren door middel van proefsleuven bij bodemingrepen dieper dan 50 cm. Dit aanvullende onderzoek dient te worden uitgevoerd door middel van proefsleuven op basis van het KNA-protocol 4003 IVO-P. De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Grave. Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de gemeente of haar regio-archeoloog.