Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor een plangebied in de gemeente Heusden. de opdrachtgever is betrokken bij de voorbereidingen voor het uitbreiden van de huidige bebouwing op het bedrijventerrein van de steenfabriek. Binnen het plangebied is momenteel een steenfabriek gevestigd en is vrijwel het hele terrein bestraat. Voor de uitbreiding is een vormverandering van het bouwvlak in het kader van het bestemmingsplan nodig. Het plangebied betreft het gehele perceel Steenfabriek Hedikhuizen (13,2 hectare). De uitbreiding van de bedrijfsgebouwen bestaat uit drie onderdelen:1. het uitbreiden van de productielijn aan de zuidzijde, bedoeld om efficiënter te kunnen werken (circa 1.160 m²). Dit leidt niet tot een uitbreiding van de productie;2. het toevoegen van een aanbouw aan de voorzijde voor kantoor- en instructieruimten en extra ruimte voor de technische dienst (circa 385 m²);3. het aanpassen van de productielijn aan de westzijde ter kwaliteitsverbetering van het product (circa 1.265 m²).De omgevingsvergunning voor de onderdelen 1 en 2 kan op basis van het vigerende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Steenfabriek" worden verleend. Voor onderdeel 3 is een aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het concept bestemmingsplan (Nijssen 2020) voorziet daarin door vormverandering van het bouwvlak, zonder uitbreiding van de reeds toegestane bouwmogelijkheden en zonder uitbreiding van het bedrijfsterrein. Het betreft daarbij uitsluitend een herzien van het Heusdense deel van het bestemmingsplan. Doel van het archeologisch onderzoek was vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid. Hiertoe is eerst een bureauonderzoek verricht, waarbij voor het plangebied een specifiek archeologisch verwachtingsmodel is opgesteld. Dit verwachtingsmodel is in het veld getoetst door middel van een verkennend booronderzoek. Doel van het booronderzoek was om de aard van de natuurlijke bodemopbouw en de mate van verstoring vast te stellen. Tenslotte is een advies geformuleerd in het kader van de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), protocol 4002 Bureauonderzoek en protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek.Het oostelijke deel van het plangebied heeft een lage archeologische verwachting op basis van het landschape en de informatie over ontgrondingen in deze omgeving. In het westelijk deel van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting. Hier worden afzettingen verwacht van de ingezakte Hedikhuizensche Maas. Deze loop begon rond 300 na Christus en eindigde in 1474 toen de loop werd afgesneden. Hier kunnen archeologische waarden uit de Laat-Romeinse tijd tot en met de Late Middeleeuwen worden aangetroffen. Eventuele oudere resten zijn bij het inslijten van de Hedikhuizensche meander waarschijnlijk geërodeerd. Er worden geen ondergrondse bouwhistorische waarden binnen het plangebied verwacht.Aan de hand van het booronderzoek zijn voor zover mogelijk de volgende onderzoeksvragen beantwoord:• wat zijn de geo(morfo)logische en bodemkundige kenmerken van de ondergrond van het plangebied?• in hoeverre is de oorspronkelijke bodemopbouw intact met het oog op de eventuele aanwezigheid en gaafheid van archeologische vindplaatsen?• bevinden zich in de ondergrond van het plangebied archeologische indicatoren en zo ja, waaruit bestaan deze?• geven de resultaten van het veldonderzoek aanleiding tot vervolgstappen in het kader van de planontwikkeling in relatie tot de archeologische monumentenzorg?De vragen worden beantwoord in paragraaf 4.6.De bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een recente ophogingslaag van puinverharding en bouwzand. Daaronder zijn verstoorde oeverafzettingen aangetroffen. Onder deze afzettingen werden beddingafzettingen aangetroffen. De bovenkant van het natuurlijke bodemprofiel binnen het plangebied is waarschijnlijk afgegraven en zeker verstoord tot diep in de oeverafzettingen; in enkele boringen is het ook zeker dat ook de top van het beddingzand is geroerd. Er zijn geen aanwijzingen voor begraven bodems aangetroffen. Indien aanwezig geweest, hebben deze zich in de top van de kleiige oeverafzettingen bevonden. Deze top is echter geheel verwijderd.Gezien de aangetroffen verstoringen binnen het plangebied en de landschappelijk ligging, in combinatie met de dichte bebouwingsgraad, kan worden gesteld dat de kans op het aantreffen van een intacte archeologische vindplaats binnen het plangebied klein is.AdviesGezien de aangetroffen bodemopbouw, de aangetroffen verstoringen binnen het plangebied en de indicaties van afgravingen, en de afwezigheid van archeologische indicatoren, kan worden gesteld dat de kans op het aantreffen van een (intacte) archeologische vindplaats binnen het plangebied klein is. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek is de archeologische verwachting voor het plangebied daarom bijgesteld naar ‘laag’ en adviseert Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie dan ook geen vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van dit grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Heusden en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.