Op basis van het bureauonderzoek is een middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied vastgesteld. Er geld een brede verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf het laat paleolithicum. Op basis van de gespecificeerde verwachting en het actuele archeologiebeleid is onderzoek vereist voor het gehele tracé met uitzondering van de segmenten die als gestuurde boring worden aangelegd.
Ter hoogte van de beleidszones ‘Steentijd: karterend onderzoek 2’, ‘Steentijd: onderzoek bij grote ingrepen’ en ‘Middeleeuwen: karterend onderzoek 3’ wordt geadviseerd om een verkennend booronderzoek uit te voeren om eventuele Romeinse sporen en/of vroegmiddeleeuwse ontginningen op te sporen. Gezien de historie van het gebied worden deze wel verwacht vanwege de verplaatsing van nederzettingen gedurende de veenontginningen. Bij een karterend booronderzoek worden boringen om de 40 meter gezet vanwege de geringe omvang van de te verwachte archeologische vindplaatsen (bijlage 9).
Daarnaast moet specifieke aandacht moet uitgaan voor de zone waar dit deel van het tracé een bekende vuursteenvindplaatsen kruist. Hier dient een waarderend booronderzoek te worden uitgevoerd door middel van boringen om de 20 meter met behulp van een 15 cm edelmanboor en het zeven van de opgeboorde grond (bijlage 9). Vanwege de geplande verstoringsdiepte van 1,0-1,6 meter beneden maaiveld worden de boringen gezet tot een diepte van 1,5-2,0 m beneden maaiveld of minimaal 30 centimeter in de onverstoorde pleistocene afzettingen.