In opdracht van de Provincie Zeeland heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in maart en april 2007 een bureauonderzoek uitgevoerd in verband met de geplande kustverbeteringswerkzaamheden van 2 kustvakken in zuidwest Walcheren. Het betreft het kustvak Nollebosch ten zuidwesten van Vlissingen en het kustvak Westkapelse Zeedijk ten noorden van Westkapelle. De voorgenomen ingrepen bestaan uit een landinwaartse uitbreiding en verzwaring van de kustversterking (duinen en dijken). Het onderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Doel van het onderzoek was het opstellen van een gespecificeerd verwachtingsmodel voor de aanwezigheid van archeologische resten in beide deelgebieden. Daarmee diende in een vroeg stadium van de planontwikkeling een zo goed mogelijk inzicht te worden verkregen in de mogelijke gevolgen van grondverzet op eventueel aanwezige archeologische resten. Deelgebied Westkapelse Zeedijk bestaat landschappelijk gezien uit jonge duin- en strandzanden op mariene afzettingen. In het deelgebied liggen geen archeologische vindplaatsen. Wel zijn tijdens het bureauonderzoek, op basis van oude kaarten, historische relicten gelokaliseerd in het deelgebied. Uit de omgeving zijn verschillende vindplaatsen uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen bekend (figuur 6). Deelgebied Nollebosch kent een meer gedifferentieerde geologische opbouw. Langs de kust liggen jonge duin- en strandzanden op mariene afzettingen, achter de kustbarrière bestaat het gebied uit een klei-op-veenlandschap dat doorsneden is door enkele getij-inversieruggen. Ook uit het deelgebied Nollebosch zijn geen archeologische vindplaatsen bekend. Tijdens het bureauonderzoek zijn van verschillende locaties historische relicten in kaart gebracht (figuur 7). Aan de hand van de geraadpleegde bronnen zijn gespecificeerde archeologische verwachtingsmodellen opgesteld (figuren 9 en 10): - voor de hogere delen (ruggen) van het intacte dekzandlandschap (ca. 5-6 m -NAP) geldt een hoge archeologische verwachting voor bewoningsresten uit het Laat Paleolithicum t/m Vroeg Neolithicum. Specifieke gegevens met betrekking tot het (micro-)reliëf en erosie van het dekzandoppervlak zijn vooralsnog niet bekend; - voor de getijdegeulen geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Eventueel aanwezige archeologische resten worden in de top van de geulafzettingen verwacht en kunnen al vanaf het maaiveld voorkomen; - voor de randzones van de getijdegeulen geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd/Romeinse tijd. Eventueel aanwezige Archeologische resten worden in de top van het veen (ca. 05 tot 20 m -Mv); - voor de poelgebieden geldt een middelmatige archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd/Romeinse tijd; - voor de poelgebieden geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. - voor de jonge duin- en strandzanden geldt een onbekende archeologische verwachting (hoog, middelhoog of laag) voor vindplaatsen uit de IJzertijd/ Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen. Eventueel aanwezige resten bevinden zich namelijk onder de duin- en strandzanden. - voor de historische relicten die gelokaliseerd konden worden (Late Middeleeuwen/ Nieuwe tijd) geldt een hoge archeologische verwachting. Op basis van de gespecif iceerde archeologische verwachtingsmodellen zijn aanbevelingen gedaan voor delen van (of verschillende historische elementen in) beide deelgebieden. In zones met een hoge en middelmatige archeologische verwachting dienen bij voorkeur geen ingrepen te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische/historische waarden leiden. Indien ingrepen onvermij- delijk zijn, dient in een zo vroeg mogelijke fase van de planvorming (na vaststelling van het definitieve inrichtingsplan) een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Het archeologisch onderzoek heeft tot doel vast te stellen waar in deze zones daadwerkelijk archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. In zones met een lage archeologische verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische vindplaatsen klein tot zeer klein. Normaliter kunnen geplande ingrepen in deze zone zonder beperkingen (tenminste voor zover het de archeologische waarden betreft) worden uitgevoerd.