De Gemeente Alphen aan den Rijn en Stichting Vogelpark Avifauna zijn betrokken bij de herinrichting van een terrein direct ten oosten van Vogelpark Avifauna te Alphen aan den Rijn (zie kaart 1). In het kader van het project is in eerste instantie een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O) verricht in 2011. Op basis van het advies uit dit onderzoek heeft de gemeente besloten dat voorafgaand aan de civiele werkzaamheden een Archeologische Begeleiding conform protocol proefsleuven diende plaats te vinden.Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft voor het gevraagde vervolgonderzoek in eerste instantie een Programma van Eisen (PvE) opgesteld, dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag (Gemeente Alphen aan den Rijn). Vervolgens is in opdracht van de Gemeente Alphen aan den Rijn en Stichting Vogelpark Avifauna tevens de Archeologische Begeleiding verricht.Het doel van de archeologische begeleiding is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting, die gebaseerd is op het bureauonderzoek en het inventariserend veldonderzoek. Waar mogelijk zal de inhoudelijke en fysieke kwaliteit van aangetroffen archeologische waarden worden bepaald aan de hand van de aard, ouderdom, omvang en conservering.Tijdens de archeologische begeleiding zijn tot nu toe drie ‘werkputten’ aangelegd voor de ontgravingen van een vijver (WP1) en een sloot (WP2 en 3). Werkput 1 is ten dele alleen passief begeleid (achteraf nagelopen), omdat deze zone reeds verstoord was door de liggingen van een oude waterpartij (kaart 2).Het totale ontgravingvlak had een oppervlak van ruim 1.000 m2. De werkputten zijn aangelegd tot op het beddingzand van de Oude Rijn op een diepte van 1,40 tot 1,80 m –NAP.Bij het uitvoeren van de archeologische begeleiding van de vijver (WP1) zijn in het geheel geen archeologische vondsten of sporen aangetroffen. Tijdens de begeleiding van de sloot is in werkput 1 één (archeologisch) spoor aangetroffen, waaruit enkele tientallen voornamelijk witte grindjes verzameld. De Romeinse Limesweg, waarvoor een specifieke verwachting bestond / bestaat binnen het plangebied, bestaat vaak uit een weglichaam verhard met wit grind. Daarom is aan dit spoor in het veld bijzondere aandacht besteed. Echter, over de datering en de aard van het spoor kan door het ontbreken van begeleidend vondstmateriaal en andere aanknopingspunten geen uitsluitsel worden gegeven op basis van het onderzoek. Gezien de gehomogeniseerde textuur staat wel vast dat het spoor een antropogene (menselijke) oorsprong heeft, daarentegen is het voorkomen van wit grind in oever / beddingafzettingen van de Rijn wel een normaal natuurlijk verschijnsel.Het aangetroffen bodemprofiel ondersteund de verwachting dat het gebied waarschijnlijk is afgeticheld, waarbij door klei / zavelwinning het profiel is afgetopt. In het noordelijkste profiel is nog wel enkele decimeters oeverafzetting (zavel) aanwezig op de beddingafzettingen. Dit zou erop kunnen wijzen dat richting het noorden minder klei / zavel is afgeticheld.Omdat het spoor 1 volledig archeologisch is gedocumenteerd en ‘afgewerkt' en verder mogelijk alleen buiten de ontgraving doorloopt is dit geen belemmering voor de huidige plannen. Verder ontbreken archeologische sporen binnen de tot nu toe begeleide ontgravingen.Conform het Programma van Eisen (PvE) diende de aanleg van het de vijver en een aantal sloten archeologisch te worden begeleid. Het graafwerk voor de sloten waarvoor begeleiding was voorgeschreven is echter pas ten dele uitgevoerd. De begeleiding is hier dus nog niet afgerond. Het meest noordelijke deel van de hoofdsloot (vanaf de knik) en de sloot ten westen van de vijver dienen nog te worden gegraven en conform PvE archeologisch te worden begeleid (kaart 1). Het bevoegd gezag heeft echter aangegeven, dat van archeologische begeleiding van de kleine sloot in het westen kan worden afgezien.