Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens werd in het archeologisch bureauonderzoek een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Er kon samengevat gesteld worden dat binnen het plangebied de bodemopbouw vanaf het maaiveld bestaat uit Afzettingen van Duinkerke II (Laagpakket van Walcheren) op afzettingen van het Hollandveen Laagpakket op afzettingen van het Laagpakket van Wormer. Over intactheid van top van het dekzand is niets bekend, maar de verwachting is dat dit niveau aan erosie onderhevig is geweest. Zodoende geldt op de gemeentelijk Maatregelen kaart Laag 4 geen verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen uit de Vroege prehistorie tot en met het Midden-Neolithicum. Voor het niveau van het Laagpakket van Wormer (Laat-Neolithicum) gold een lage verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen, vanwege de natte toestand van het toenmalige landschap. Voor de Bronstijd gold een lage verwachting vanwege de afwezigheid van vindplaatsen in het veen in de regio. Voor IJzertijd en Romeinse Tijd , niveau top van het Hollandveen Laagpakket, gold een hoge verwachting. Voor de Vroege Middeleeuwen gold, vanwege de afwezigheid van vindplaatsen in de regio, een lage verwachting. Voor de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd gold een middelhoge verwachting vanwege de relatief lage ligging in het toenmalige landschap en het ontbreken van cartografische referenties voor de aanwezigheid van vindplaatsen uit de Nieuwe Tijd.Tijdens het inventariserend veldonderzoek werd het opgestelde verwachtingsmodel middels vier verkennende boringen (tot maximaal 3,75 meter beneden maaiveld) getoetst. Hierbij dient opgemerkt dat dit veldonderzoek gericht was op het toetsen van de (geologische) verwachting en niet op het opsporen van eventuele vindplaatsen. Op basis van de resultaten van het booronderzoek kon het verwachtingsmodel bijgesteld worden.De verwachting (geen) voor het niveau pleistocene dekzand (Laagpakket van Wierden) kon vanwege de grote diepteligging van eventueel nog intact aanwezige afzettingen niet getoetst worden. Uit het booronderzoek blijkt dat het Laagpakket van Wormer (oude zeeklei) gelegen is op een diepte vanaf 3,05 meter –NAP (2,85 meter beneden maaiveld) en intact aanwezig is. De top van dit laagpakket vertoont een egaal verloop zonder duidelijke verhogingen. Gezien de intactheid van dit niveau kan de verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen uit Laat-Neolithicum laag blijven. Het toenmalige landschap betrof een uitgestrekt getijdegebied dat minder geschikt was voor bew0ning.Het Hollandveen Laagpakket is binnen het plangebied vastgesteld op een diepte vanaf 1,80 meter –NAP (1,65 meter beneden maaiveld) en is aan de top (zwak) geërodeerd als gevolg van mariene invloed (getijdewerking). Voor ontginning van het veen (moernering) zijn geen aanwijzingen aangetroffen. De samenstelling en dikte van het veenpakket geven aan dat het hier om laagveen gaat. Dit gegeven samen met het feit dat de top van het veen aan erosie onderhevig is geweest, maken dat de verwachting voor de IJzertijd en Romeinse Tijd (niveau top Hollandveen) bijgesteld wordt tot laag. Voor de Bronstijd (niveau onderzijde Hollandveen) kan de verwachting onveranderd (lage verwachting) blijven.Het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke II afzettingen) is deels tot aanzienlijke diepte (1,20 meter beneden maaiveld) verstoord (in boring 3) als gevolg van een recente vergraving, vermoedelijk bij de werkzaamheden voor de bouw van de loods. De afzettingen kunnen hier worden geïnterpreteerd als komafzettingen en tonen aan het hier om relatief laaggelegen landschap gaat, ten opzichte van de hoger gelegen kreekrug waarop Kruiningen is gesticht. Archeologische indicatoren die kunnen wijzen op de aanwezigheid van vindplaatsen zijn bij het veldonderzoek niet aangetroffen. Deze gegevens maken dat voor het niveau van het Laagpakket van Walcheren de archeologische verwachting resulterend uit het bureauonderzoek naar beneden wordt bijgesteld. Zodoende geldt voor de Vroege en Late Middeleeuwen en voor de Nieuwe Tijd een lage verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen. De relatief lage ligging en daarmee het natte karakter van het toenmalige landschap maakte dat de locatie ongunstig was voor bewoning. Ook na de bedijking van de regio in de 13de eeuw ligt het plangebied namelijk in relatief laag gelegen komgebied ten opzichte van de kreekrug waarop Kruiningen is gesticht.