Eindrapportage archeologisch bureauonderzoek (17765.004) Noordkade te Veghel

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting. Vanuit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens wordt verwacht dat het plangebied voorheen (toen het nog niet ingericht was als industrieterrein) een ligging heeft deels binnen een dekzandrug en deels binnen het overgangsgebied (helling) naar dan wel binnen dekzandvlaktes. De mogelijkheid bestaat dat binnen de dekzandvlakte sprake was van een lokaal beekdal/klein beekloopje, waarmee het overtollige water van de dekzandvlakte afstroomde in de richting van het niet ver ten oosten gelegen beekdal van de Aa. Daarmee zal het plangebied een voldoende gunstige ligging hebben gehad als (tijdelijke) bewoningslocatie vanaf het (Laat-)Paleolithicum voor jagers en verzamelaars en vanaf het Laat-Neolithicum voor landbouwers.

Zeker de delen van het plangebied op de hogere dekzandruggen als binnen de gradiëntzone/helling naar de dekzandvlakte (waar wellicht sprake was van een klein beekloopje), vormde geschikte vestigingslocaties voor jagers en verzamelaars. Een mogelijk aanwezig lokaal beekdal/klein beekloopje, dan wel het beekdal van de Aa, vormde een bron voor drinkwater, visserij en had een grote aantrekkingskracht op wild, waarop kon worden gejaagd. Vondsten uit de vroege prehistorie zijn tot op heden bekend van locaties langs het beekdal van de Aa. Vanwege de ligging van het plangebied in een gebied dat tot in de eerste helft van de 20e eeuw een agrarisch gebruik kende (voormalig akkergebied), is de kans aanwezig dat eventuele restante van vindplaatsen uit het (Laat-)Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum verstoord zijn door latere activiteiten. Voor deze perioden is dan ook een middelhoge verwachting toegekend.

Ook zeker de delen van het plangebied die gelegen zijn binnen dekzandruggen (het centraal-noordelijke tot noordwestelijke deel en het zuidoostelijke tot oostelijke deel van het plangebied, op basis van de (geactualiseerde) archeolandschappelijke eenhedenkaart) vormde geschikte bewoningslocaties voor landbouwers. Binnen de dekzandruggen was veelal sprake van goed ontwaterde en vruchtbare bodem, welke geschikt waren voor akkerbouw. Zeker daar waar hoge enkeerdgronden liggen, vormen deze een aanwijzing voor langdurig landbouwkundig gebruik. In de omgeving van het plangebied zijn resten/sporen van bewoning uit het Laat-Neolithicum, de Bronstijd en de Vroege-Middeleeuwen niet bekend. Uit de perioden IJzertijd en Romeinse tijd zijn wel vindplaatsen bekend ten oosten van het plangebied, op hoger gelegen dekzandruggen nabij de Aa. Er geldt daarom een middelhoge verwachting voor de perioden Laat-Neolithicum, de Bronstijd en de Vroege-Middeleeuwen en een hoge verwachting voor de perioden IJzertijd en Romeinse tijd.

Vanwege het grote aantal vindplaatsen binnen het onderzoeksgebied uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd is ook voor deze perioden de verwachting hoog, zeker voor het meest oostelijke deel van het plangebied, welke meest nabij locaties ligt van historische (boeren)erven zichtbaar op beschikbaar historisch kaartmateriaal uit het begin van de 19e eeuw, als ook de ligging meest nabij het historische centrum van Veghel.   Conclusie en advies. Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Een landschappelijke reconstructie duidt erop dat het plangebied deels binnen een dekzandrug en deels binnen het overgangsgebied (helling) naar dan wel binnen dekzandvlaktes ligt, waarbij mogelijk in het laatste ook een lokaal beekdal/klein beekloopje aanwezig is geweest. Doorgaans kunnen binnen dergelijke landschappen, zeker op een dekzandrug als binnen het overgangsgebied (gradiëntzone), sporen en vondsten worden verwacht uit alle archeologische perioden. Er zijn verder geen indicaties om aan te nemen dat er grootschalig grondverzet heeft plaatsgevonden. Tevens is het plangebied opgehoogd, ten behoeve van de functie als industrieterrein, waardoor het archeologisch potentiële vondst- en/of sporenniveau beter beschermd zijn geweest tegen moderne bodemverstorende ingrepen. De hoge tot middelhoge verwachting geldt dan ook zeker voor de terreindelen waar diepgaande bodemingrepen zijn gepland, zijnde de locatie waar een parkeerdek en bedrijven en een hotel zullen worden gerealiseerd.

Op grond van de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Een standaard advies betreft de uitvoering van een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek, om daarmee een betrouwbaar beeld van de gaafheid van de bodem te verkrijgen en wat dit betekent voor de archeologische verwachting. Ter plaatse van de locatie waar het hotel gepland is, is reeds een archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd en is, op basis van de resultaten, geadviseerd een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van karterende en waarderende proefsleuven (IVO-P). Daarom adviseert Econsultancy/kan door de bevoegde overheid (gemeente Meierijstad) in overweging worden genomen om het vervolgonderzoek in het gehele plangebied direct te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/RTE4D8
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/RTE4D8
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2022
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 7849590
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem