In het plangebied zijn negen boringen gezet. De einddieptes van de boringen liggen tussen 100 en 200 cm ‑mv. Het booronderzoek bevestigt dat de natuurlijke ondergrond uit dekzand bestaat. In het hele plangebied bestaat de top van het bodemprofiel uit opgebrachte en omgewerkte grond.
Ter hoogte van zeven boorpunten gaat deze opgebrachte en omgewerkte grond scherp over in de C-horizont. Hier is de bodem niet meer intact en zijn de hoge zwarte enkeerdgronden niet aanwezig. Eventuele archeologische resten zijn bij deze boorpunten vergraven.
Ter hoogte van twee boorpunten, één in het noorden en één in het zuiden, is nog (een restant van) een podzolbodem (B- en BC-horizont) aanwezig. De zuidelijke zone heeft een geschatte maximale omvang van 120 m2 (een voormalige binnenplaats). De noordelijke zone heeft een geschatte maximale omvang van 960 m2.
Bij realisatie van de huidige plannen vinden voor zover bekend alleen ingrepen plaats in de noordelijke zone. Aanbevolen wordt om in deze zone nader te bepalen of archeologische resten aanwezig zijn (kartering) en of deze behoudenswaardig zijn (waardering). Dit kan het beste worden gedaan door het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek.