Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied alleen een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Vroege/Late Middeleeuwen (vanaf 6e eeuw na Chr.) en de Nieuwe tijd. Het plangebied ligt namelijk binnen een crevassecomplex, welke ontstaan is tijdens de vorming van de Gelderse IJssel rond het einde van de Romeinse tijd/overgang naar de Vroege Middeleeuwen (tussen circa 350 en 600 na Chr., Merovingische tijd). Specifiek gaat het om een ligging op een kronkelwaardrug langs een voormalige binnenbocht van een IJsselloop. Er geldt geen verwachting meer op het voorkomen van in situ gelegen resten uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m de Vroege Middeleeuwen (in ieder geval tot 6e eeuw na Chr.). Alleen in verspoelde context bestaat nog de mogelijkheid losse resten uit deze perioden aan te treffen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat verder zien dat het plangebied vanaf in ieder geval de tweede helft van de 18e eeuw tot een boerenerf (De Marsch) heeft behoort. Er kan niet worden uitgesloten dat dit boerenerf een middeleeuwse voorganger heeft gehad. Circa 60 meter ten noordoosten van het plangebied is in 2012 al een prospectief onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de bouw van een veestal. Er is destijds een aanzienlijk verstoorde bodemopbouw aangetroffen en verder alleen slooppuin van de waarschijnlijk in 1945 door de Canadezen in brand geschoten boerderij. Vervolgonderzoek werd niet noodzakelijk geacht.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) laten zien dat ook binnen onderhavig plangebied de bodemopbouw bestaat uit niet meer dan geroerde/verstoorde lagen dan wel ophooglagen/gestorte lagen grond, met hier onder een scherpe overgang direct naar de C-horizont. Bij diverse boringen, maar vooral waar sprake is van een dikkere humeuze bovenlaag in het noordelijke tot noordoostelijke deel van het plangebied, bevat deze resten bouwpuin, brokken van handgevormde en machinale bakstenen met hierop nog aanwezig Portlandcement en machinaal vervaardigde dakpannen (Muldenpan). Op verschillende brokken baksteen/bouwpuin is ook een roetaanslag zichtbaar, als duidelijke aanwijzing dat het gaat om brokken sloopafval/slooppuin van een afgebrand gebouw. De aangetroffen bodemopbouw laat daarmee zien dat er duidelijk verstoringen/vergravingen plaatsgevonden die gekoppeld zijn aan de brand in 1926/1945 en de bouw van de boerderij/inrichting van het boerenerf tijdens de navolgende jaren. Bouwpuin/sloopafval is daarmee verspreid binnen het boerenerf en vooral rondom de locatie waar de in 1945 afgebrande boerderij heeft gestaan.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat binnen het gehele plangebied reeds naoorlogse bodemingrepen hebben plaatsgevonden en dat hierdoor (het) potentiële vondst-/sporenniveau(’s) volledig is/zijn aangetast. Mogelijk oudere lagen grond die bijvoorbeeld aangeduid zouden kunnen worden als een oudere woongrond/terpgrond, zijn niet waargenomen in de gezette boringen. Ook ouder vondstmateriaal (Vroeg-Nieuwe tijd dan wel Late Middeleeuwen) is verder niet aangetroffen. Voor de plangebied dient de hoge verwachting voor de perioden Vroege en Late Middeleeuwen (vanaf 6e eeuw na Chr.) en de Nieuwe tijd bijgesteld dient te worden naar geen verwachting. Voor de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m de Vroege Middeleeuwen (in ieder geval tot 6e eeuw na Chr.) gold geen verwachting en deze blijft verder gehandhaafd.
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Er hebben binnen het plangebied naoorlogse bodemingrepen plaatsgevonden, (het) potentiële vondst-/sporenniveau(’s) volledig is/zijn aangetast. Het aanwezige bouw-puin/sloopafval is te relateren aan de in 1926/1945 afgebrande boerderij. De bouw van de bestaande boerderij en de inrichting van het boerenerf tijdens de navolgende jaren zijn gepaard gegaan met vergravingen als ook ophoging in met name het noordelijke tot noordoostelijke deel van het plangebied. Daarnaast zijn er tijdens het onderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen die beduidend ouder zijn (geen vondstmateriaal uit de Vroeg-Nieuwe tijd dan wel Late Middeleeuwen) en ontbreekt het aan een bewaard gebleven oudere woongrond/terpgrond binnen het plangebied. Een archeologische vindplaats wordt niet meer verwacht binnen het plangebied.
Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Voorst, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door de heer H.G. Pape-Luijten, regio-archeoloog Stedendriehoek, d.d. 20 december 2023). Met bovenstaand advies wordt ingestemd.
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het is raadzaam om ook de bevoegde overheid (gemeente Voorst) op de hoogte te stellen.