In het kader van het Rijkswaterstaat project “de Maaswerken” heeft in het onderzoeksgebied Well-Aijen een opgraving plaatsgevonden naar vroeg-prehistorische bewoning in de oostelijke oeverzone van de Maas. Het veldwerk is uitgevoerd tussen oktober 2012 en augustus 2014 door de combinatie BAAC/ADC,
in opdracht van de Provincie Limburg, waarbij de directievoering in handen was van Vestigia. Omdat het een rijksmonument betreft, was de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) voor dit project de bevoegde overheid.
Tussen de dorpen Aijen en Well vinden grootschalige grondwerkzaamheden plaats voor een te realiseren hoogwatergeul. Omdat bij de graafwerkzaamheden eventueel aanwezige archeologische waarden vernietigd kunnen worden, is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd om de archeologische waarden in kaart te brengen. Dit inventariserend veldonderzoek is gefaseerd opgezet, en bestond uit
bureau- , boor- en proefsleuvenonderzoeken tussen 1999 en 2011 (uitgevoerd door verschillende bedrijven; RAAP, ADC en BAAC). Tijdens het inventariserend veldonderzoek zijn sporen en vondsten aangetroffen uit praktisch alle archeologische perioden; van de vroege prehistorie tot de nieuwe tijd. Hierdoor
openbaarde zich een zeer lange bewoningscontinuïteit, hetgeen een unieke kans bood om te onderzoeken waarom deze locatie zo aantrekkelijk was voor onze voorouders. In totaal zijn vijftig vindplaatsen aangetroffen binnen het onderzoeksgebied, waarbij sommige vindplaatsen zijn onderverdeeld in verschillende vondstclusters (sites). Een dergelijk ‘diachroon’ bodemarchief is zeldzaam, en daarom al in een vroeg stadium als archeologisch rijksmonument voorgedragen en aangemerkt door de RCE. Door de bijzonder grote omvang van het monument (160 ha), en het feit dat gezien de voorgenomen aanleg van een hoogwatergeul met diepe ontgrondingen geen enkele vindplaats binnen het monument behouden zou kunnen worden, zijn de archeologische vindplaatsen (gefaseerd) opgegraven. Onderhavig onderzoek heeft betrekking op het ex situ behoud van de meeste vroeg-prehistorische vindplaatsen direct aan de oostkant
van de Maas (het onderzoeksgebied). De microregio Well-Aijen betreft, landschappelijk gezien, een representatief deel van het Maasdal, dat wordt gekenmerkt door een rivierterras uit de Jonge Dryas met lage rivierduinen en vlechtende restgeulen, een onder een zanddek begraven vroeg-holocene kronkelwaard, een diepe, holocene restgeul opgevuld met organisch materiaal, en een dek van relatief jonge hoogwaterafzettingen. Uit de holocene restgeul is een schat aan paleolandschappelijke informatie verzameld, die het mogelijk maakt om in detail de natuurlijke vegetatieontwikkeling, de introductie van landbouwgewassen en de wijzigingen in het (agrarisch) landgebruik over bijzonder lange perioden te reconstrueren. Wat het gebied nu juist belangrijk maakt, is dat bewoningssporen uit meerdere perioden (diachroon) en per individuele periode
op verschillende landschapselementen (synchroon) kunnen worden bestudeerd. Deze zijn gekoppeld aan zowel gegevens over zowel de geogenetische landschapsontwikkelingen (abiotisch landschap) als de vegetatie- en landgebruikontwikkelingen (biotisch landschap). De archeologische vondsten en
sporen kennen daarnaast een bijzonder hoge mate van gaafheid (door afdekking van het prehistorische landschap), en een grote mate van continuïteit, waarmee het verhaal wordt verteld over de vroegste bewoning van het Maasdal in relatie met de landschapsdynamiek. Voor zowel het abiotische landschap (fysische geografie) als het biotische landschap (palynologie) zijn 17 paleogeografische vensters gemaakt,met tijdsintervallen van circa 500 jaar. De diachrone ontwikkeling van het Maasdal tussen Well en Aijen kon zo met een hoge mate van detail worden gereconstrueerd. In deze paleogeografische reconstructies zijn vervolgens de vindplaatsen geplaatst, die met 14C-dateringen absoluut zijn gedateerd. 10
Preboreaal - vroeg-mesolithicum (8800-8200 v.Chr.) De vroegste bewoning dateert uit het Preboreaal. Tijdens deze periode verandert het landschap sterk in vergelijking met de voorgaande fase (Laat Glaciaal). De Maas snijdt zich ter hoogte van de belangrijkste stroomdraden diep in de Jonge Dryas-dalvlakte, waarbij het karakter van de Maas geleidelijk veranderde van een vlechtend in een meanderend riviersysteem. Op basis van het overgeërfde patroon van restgeulen en Dryas-terrasruggen kan worden gesteld dat in deze periode twee of drie hoofdgeulen tegelijk actief zijn. Een van deze geulen begint voor 8300 v.Chr. te verlanden. Door de verlanding van deze restgeul is een zeer bijzonder palynologisch archief ontstaan, waardoor de vegetatiegeschiedenis van een groot deel van het Holoceen in kaart kon worden gebracht. Aan het einde van het Preboreaal werd het water afgevoerd door een enkele geul, de huidige Maas. De rivier verplaatste zich hierna geleidelijk naar het (noord)westen. Door deze migratie is een kronkelwaard
ontstaan met kronkelwaardruggen en kronkelwaardgeulen. De ruggen ontstonden als zandige aanwassen aan de oostkant (binnenbochtzijde) van de Maas.
In deze eerste bewoningsfase werd binnen een periode van circa 330 jaar de hele oostelijke oever intensief gebruikt voor verschillende activiteiten (met name kampplaatsen). Het centrale deel van het onderzoeksgebied was echter veruit het meest aantrekkelijk. De vroeg-mesolithische gemeenschappen keerden vaak terug naar deze specifieke locatie. Buiten deze kronkelwaardrug was de frequentie
van activiteiten- of occupatiefasen aanzienlijk lager. De neerslag van deze kampplaatsen bestaat uit concentraties vuursteen, natuursteen, verkoolde hazelnootdoppen en houtskool. In mindere mate zijn ook fragmenten verbrand bot en oker aanwezig. Bij praktisch elke locatie zijn oppervlaktehaarden aangelegd.
Het spectrum aan werktuigtypen toont een grote variatie in uitgevoerde activiteiten. Naast typische jachtwerktuigen (met name spitsen), zijn ook veel verschillende werktuigen gebruikt die wijzen op andere activiteiten. Hierbij zijn onder meer plantaardig, en dierlijk, maar ook anorganisch materiaal bewerkt. De
groepen jagers-verzamelaars bivakkeerden voor een langere periode langs de Maas. Zeer waarschijnlijk is de oeverzone uitgekozen om elk jaar, in een specifiek seizoen, voor enkele maanden te verblijven. Opvallend is de grote verzameling weinig tot onbewerkte Maaskeien die tussen de resten van de
kampementen zijn aangetroffen. Deze stenen zijn uit de Maasbedding of eroderende Jonge Dryasterrasrand verzameld en naar de kronkelwaardrug gebracht. Aldaar zijn de knollen ‘getest’ en een deel is afgewerkt tot kernen en uiteindelijk werktuigen, maar een groot deel is ter plekke afgedankt. De
aanzienlijke hoeveelheid materiaal en het gegeven dat in kronkelwaardruggen dergelijke Maaskeien niet van nature afgezet zijn, laat zien dat het winnen van vuursteen en natuursteen uit de bedding een belangrijke activiteit is geweest. Dat levert ook een belangrijke aanwijzing op dat de jagers-verzamelaars
de locatie waarschijnlijk vooral in de zomer of vroege herfst bezochten, toen de waterstanden in de Maas laag genoeg waren om de bedding grotendeels te laten droogvallen. Boreaal – vroeg-mesolithicum (8200-7700 v.Chr.)
In de tweede fase van de bewoning werd de kronkelwaard over een periode van circa 500 jaar veel minder frequent bezocht. De dynamiek van de Maas nam tijdelijk sterk toe, waardoor de kronkelwaardrug werd afgedekt met een laag sediment van enkele decimeters. De Maas migreerde naar het westen, en door deze
laterale verplaatsing kwam de rug (met de Preboreale vindplaatsen) steeds verder van de actieve rivier te liggen. Daarnaast zijn in het Boreaal belangrijke veranderingen aan te wijzen in de vegetatie. De boreale berkenbossen in de lagere delen (terras- en kronkelwaardvlakten) van het landschap, en naaldbossen op
de hogere delen (terrasruggen), maakten geleidelijk steeds meer plaats voor gemengde eikenloofbossen. Uit de dateringen van mesolithische resten blijkt dat de centraal gelegen kronkelwaardrug nog wel werd
bezocht. In het noorden en zuiden ontbreekt de bewoning echter. De aard van de bewoning in deze periode lijkt sterk op de voorgaande periode. Vroeg-Atlanticum - midden-mesolithicum (7700-6450 v.Chr.) Ook tijdens deze fase lijkt de microregio minder vaak te worden bezocht door jagers-verzamelaars. Wat betreft de landschappelijke dynamiek, bouwde de Maas haar kronkelwaard vooral in het noordelijke deel tientallen meters uit naar het westen, waardoor deze steeds breder werd. In het zuiden werd toen
weliswaar een ‘aanwasvlakte’ gevormd als onderdeel van de kronkelwaard, maar verplaatste de Maas zich lateraal veel minder. Vooral deze zone bleek aantrekkelijk voor mesolithische gemeenschappen. De kronkelwaardrug met de vroeg-mesolithische bewoningsfase werd tijdens het midden-mesolithicum
nog maar zeer sporadisch bezocht. De bewoning lijkt zich nu volledig te concentreren op en dichterbij de oostoever van de Maas in het zuiden van het onderzoeksgebied, terwijl het noorden praktisch geen occupatie meer kende.
Op de zuidelijke kronkelwaard zijn minimaal vijf concentraties van vuursteen en natuursteen bekend. In vergelijking met de voorgaande perioden is het karakter van deze activiteiten zeer verschillend. Zo is veel minder vuursteen bewerkt en de aantallen artefacten zijn ook beduidend lager in vergelijking met
de kampementen in het centrale deel van het onderzoeksgebied. Een ander opvallend fenomeen is de afwezigheid van knollen en bewerkte keien in de periferie van de kampen. Klaarblijkelijk was het winnen en testen van ruwe grondstoffen minder belangrijk voor de mensen die in dit deel van het gebied verbleven. Ondanks dat de aantallen artefacten veel lager zijn, heeft het gebruikssporenonderzoek aangetoond dat veel verschillende handelingen zijn uitgevoerd. Een bepaald aantal handelingen heeft duidelijk te maken met het
vangen en het verwerken van vis en deze activiteit neemt mogelijk toe in vergelijking met de voorgaande perioden.Vroeg-Atlanticum – laat-mesolithicum (6450-5300 v.Chr.) In de laatste fase van de midden-steentijd veranderde het landschap sterk. Vanaf het nattere Atlanticum nam de lokale dynamiek van de Maas toe en werd de vroeg-holocene, zandige kronkelwaard geleidelijk afgedekt door oever- en kronkelwaardafzettingen. De Maas migreerde in deze periode vooral in het noorden tientallen meters verder naar het noordwesten en de kronkelwaard werd daarmee verder uitgebouwd. In het zuidoostelijke deel van het onderzoeksgebied werd een overloopgeul actief die ten zuiden van de meest noordelijke kronkelwaardrug weer terugvloeit in de Maas. Deze overloopgeul
erodeerde alleen het westelijke deel van het terras uit de Jonge Dryas (ten oosten van de Maas). De vroegholocene kronkelwaard werd in toenemende mate afgedekt door sediment. Bij hoogwater overstroomde het gebied nu niet alleen vanuit de hoofdgeul, maar ook vanuit deze zijtak. Er zijn in deze periode zeer weinig aanwijzingen voor bewoning of landschapsgebruik. De geleidelijke afname in het gebruik van de kronkelwaard is mogelijk in het licht van een veranderend landschap te verklaren. Voor deze fase lijkt ook de toename van de lokale rivierdynamiek een reden te zijn voor minder frequent gebruik van de kronkelwaard. Midden-Atlanticum – vroeg-neolithicum (5300-4200 v.Chr.)
Tijdens het Midden-Atlanticum bouwde de Maas haar kronkelwaard vooral in het midden en noorden van het gebied tientallen meters verder uit naar het westen. In het zuiden was op dat moment nauwelijks nog sprake van laterale migratie. De stabiliteit van deze binnenbochtoever is mogelijk de reden dat de zuidwestelijke flank van de kronkelwaardrug weer werd gebruikt als verblijfsplaats. Uit de vegetatiereconstructies blijkt dat het gebied op dat moment sterk bebost was. Op de hogere kronkelwaardruggen was toen sprake van een dicht en gemengd eiken-lindenloofbos met daarnaast aan de randen iep, es en hazelaar. In de nattere delen waren els, wilg en een moeraskruidenvegetatie aanwezig. De verblijfplaats uit deze periode wordt gekenmerkt door een tweefasige verspreiding van onder meer
(vuur)stenen artefacten, verkoolde hazelnootdoppen en granen op de flank van de kronkelwaardrug.Resten van de vroegste gebruiksfase dateren tussen 4794 en 4532 v.Chr. Er werd opnieuw vuursteen bewerkt, en van andere activiteiten blijven verkoolde graanresten achter. De tweede gebruiksfase is gedateerd 4354 - 4248 v.Chr. en in deze periode is gebruikt gemaakt van aardewerk. De aanwezigheid
van verkoolde graanresten in beide niveaus geeft aan dat tenminste sprake is van graanverwerking en -consumptie op de locatie, en om die reden worden de resten van deze occupatiefase in het neolithicum geplaatst. De neerslag van de activiteiten (met name de vuurstenen artefacten) lijkt echter sterk op die van jagers-verzamelaars groepen. Daarom is deze locatie van groot belang: de gegevens tonen dat gedomesticeerde gewassen worden geïntroduceerd in het gebied tussen 4500 v.Chr. en 4300 v.Chr. Op basis van onder meer de vuursteentechnologie zou beargumenteerd kunnen worden dat neolithische
elementen werden overgenomen door groepen mensen die het Maasdal al een lange periode bewoonden. Opvallend is dat in de laatste fase van deze verblijfsplaats dus ook aardewerk werd gebruikt. Dit aardewerk lijkt sterk op het aardewerk uit een grote dump van nederzettingsafval en enkele afvalkuilen
in het noorden van het gebied. Deze dump dateert rond 4300 v.Chr., nagenoeg gelijktijdig met de laatste fase van het hierboven genoemde kamp in het zuiden. De dump bevat een grote hoeveelheid vuurstenen en natuurstenen artefacten, waaronder debitagemateriaal, neolithisch aardewerk met Rössen BischheimSwifterbant kenmerken, verbrand bot, verkoolde kafresten, verkoold graan, verkoolde hazelnoot en houtskool. In de restgeul is rond 4365 v.Chr. ook de teelt van granen aanwijsbaar aan de hand van pollen. Het verkoolde graan in de dump hangt daarom vermoedelijk samen met de teelt en verwerking van granen bij een nederzetting in de directe omgeving. Midden-Atlanticum – midden-neolithicum A/B (4200-2800 v.Chr.) Tijdens het deze fase van het Atlanticum had de Maas een stabiel karakter. De laterale migratie was het grootst in het noorden, meer dan 100 meter in vergelijking met het Preboreaal, terwijl de Maas in het zuiden vrijwel op dezelfde positie stroomde. De meest concrete aanwijzingen voor bewoning in het midden-neolithicum betreft een tweebeukige woonhuisstructuur. Deze kleine nederzetting werd in het noorden van het gebied gesticht. De sporen van deze bewoningfase zijn op basis van 14C-dateringen (3700-3500 v.Chr.) gedateerd ten tijde van de Michelsberg-cultuur en de Hazendonk-groep. Rond deze structuur is veel nederzettingsafval (vuursteen, natuursteen en aardewerk) aangetroffen, wat aangeeft dat in deze periode sprake was van een klein erf. Geassocieerde pollen van gedomesticeerde gewassen laten zien dat de bewoners van dit erf akkers
bewerkten. In hoeverre ook veeteelt een belangrijk deel vormde van de voedseleconomie is onbekend. Tussen de nederzettingsresten is geen botmateriaal gevonden. Laat-Atlanticum -laat-neolithicum A en -B (2800-2000 v.Chr.)
Tijdens het laat-neolithicum A migreerde de Maas met name in het noorden nog een tiental meters naar het westen, maar bleef in het zuiden en midden van het gebied ongeveer op dezelfde plek stromen. Uit het pollendiagram blijkt dat de vegetatie in het zuiden vanaf 4000 v.Chr. geleidelijk opener werd, en dat
de aanwijzingen voor akkerbouw en weiland/hooiland toenemen. In het noorden wisten eik en linde zich in die periode te handhaven en lijkt het aandeel granen zelfs wat af te nemen ten opzichte van de
voorafgaande periode. Aanwijzingen voor bewoning zijn er alleen op de kronkelwaardrug in het zuiden: hier stonden op het hoogste deel een huis en drie bijgebouwen tussen 3090 en 2495 v.Chr. (VlaardingenStein periode). Aannemende dat de gebouwen gelijktijdig op de kronkelwaardrug hebben gestaan, wordt
deze locatie als een erf gezien. In diezelfde periode werd ook nederzettingsafval gedumpt in een depressie en was sprake van graanteelt. Voor het laat-neolithicum B (enkelgrafcultuur en klokbekercultuur) zijn
vrijwel geen aanwijzingen voor bewoning of landschapsgebruik teruggevonden.
Subboreaal en subaltanticum-bronstijd - nieuwe tijd (2000 v.Chr. - heden)
In periode na de steentijd werd de Maas steeds actiever en werden geleidelijk aan pakketten grof-siltig sediment over de vroeg-holocene kronkelwaardruggen afgezet. Aan het begin van de late prehistorie (de bronstijd) is nog weinig merkbaar van deze toenemende rivierdynamiek. Het landschap was net zoals in de laat-neolithische fase nog sterk bebost, en de neolithische kronkelwaard vormde nog steeds de oostelijke ‘oever’ van de Maas.In de vroege bronstijd is praktisch geen menselijke activiteit vastgesteld binnen de microregio en dat sluit aan bij het algemene beeld van de vroege bronstijd waarvoor bijzonder weinig nederzettingen bekend zijn. In de midden-bronstijd is echter op de kronkelwaardruggen weer een toename van bewoning en landgebruik zichtbaar. In bijna alle delen van het plangebied (zowel in het noorden, midden als het zuiden) zijn sporen uit deze periode aangetroffen. In tegenstelling tot de midden- tot laat-neolithische fasen is er nu meer variatie in het gebruik van het landschap. In het noorden zijn een akkerlaag en een crematiegraf aangetroffen, in het centrale deel een (mogelijke) depositie. In het zuiden werd een erf met woon(-stal)huis en bijgebouwtjes ingericht. Het woonhuis werd éénmaal herbouwd op dezelfde locatie. Ook zijn er op de hoger gelegen terrassen (kleine?) nederzettingen. In de ijzertijd werd de functionele indeling van het landschap meer evident. Zo werden de hoger liggende
rivierduinzandkoppen op het Jonge Dryas terras gebruikt voor nederzettingen en akkers, zoals de huisplattegronden ten oosten van het onderzoeksgebied aantonen. De lager liggende kronkelwaardruggen kregen een ‘rituele’ functie als locatie waar gecremeerde resten van overledenen worden begraven. Ook zijn de ingrepen in het landschap nu vele malen inzichtelijker, omdat door menselijk handelen een duidelijk open en minder bebost landschap ontstond. Het pollenspectrum in de diagrammen wijst op een landschap met een sterk open karakter en intensief landgebruik voor beakkering/beweiding en betreding.
Mogelijk dat pas in deze periode transport over land de overhand kreeg en dat daarmee ook andere zones frequenter werden bezocht en gebruikt.
Vanaf de ijzertijd (in lagere landschappelijke delen mogelijk al eerder) nam de Maasactiviteit toe. Een grotere hoeveelheid geërodeerd slib (en water) vanuit het achterland van de Maas bereikte het benedenstroomse deel in Noord-Limburg en werd daar weer afgezet op de vroeg-holocene kronkelwaarden. Het gevolg is dat het prehistorische landschap in de holocene dalvlakte in de loop der tijd werd afgedekt met een metersdik pakket overwegend post-Romeinse, lemige zanden tot grof-siltige lemen. Het ontbreken van bewoning in de holocene dalvlakte gedurende de Romeinse tijd wordt in verband gebracht met deze toenemende rivierdynamiek, maar de regio is zeker niet verlaten. De bewoning van de vroege tot midden-Romeinse tijd lag in Well-Aijen vooral op de rivierduinkoppen op de terrasrestruggen uit de Jonge Dryas ten (zuid)oosten van het onderzoeksgebied, totdat ook deze te vaak overstromen. In de vroege middeleeuwen waren de oevers van de Maas niet meer aantrekkelijk voor bewoning. De landschappelijke overgang van de terrasrand van het Jonge Dryas-terras naar de holocene dalvlakte
werd nog wel intensief gebruikt voor de productie van houtskool en ijzer. Dit kan worden afgeleid uit de verspreiding van talloze meilerkuilen en enkele ovens met metaalslakconcentraties. Pas in de volle
middeleeuwen en vroege nieuwe tijd werd het landschap meer ingericht, wat ook leidde tot de bouw van een kasteel (huis de Hildert). Wegen, greppels en perceelscheidingen vormen de nieuwe inrichting van het landschap en verankeren daarmee de functie en het gebruik van het landschap tot vlak voor de aanleg van
de Hoogwatergeul Well-Aijen aan het begin van de 21e eeuw.