Plangebied Chemelot-Berlinerwand te Geleen, gemeente Sittard-Geleen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)

DOI

In opdracht van Royal Haskoning DHV heeft RAAP in augustus 2019 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Chemelot -Berlinerwand te Geleen in de gemeente Sittard-Geleen. Het onderzoek vond plaats in het kader van een omgevingsvergunning. Het plangebied heeft een lengte van circa 250 m en is ongeveer 2 m breed.Op basis van het bureauonderzoek geldt een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode Neolithicum t/m Bronstijd en een middelhoge tot hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode IJzertijd t/m Romeinse Tijd. Wegens de specifieke historische ontwikkeling van de Graetheide geldt voor het plangebied een lage verwachting voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Meer specifiek gezien kan er binnen het plangebied een grafveld uit de IJzertijd worden verwacht.Uit de uitgevoerde boringen blijkt dat het natuurlijke bodemprofiel nog een grote mate van gaafheid kent. Hoewel de oorspronkelijke E-horizont niet meer aanwezig is, heef t de daaronder liggende stugge en goed ontwaterde briklaag (Bt-horizont) nog een dikte van circa 80 cm. De briklaag wordt weer afgedekt door een 80 cm dik ophogingspakket bestaande uit leem, (grof) grind en steenkool resten. Als gevolg van dit afdekkende pakket en gezien de hoge mate van gaafheid van het onderliggende bodemprofiel zullen eventuele archeologische resten nog goed bewaard in de bodem aanwezig zijn.Advies Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Daarom wordt geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat verstoring wordt voorkomen. Dat kan door de nieuwe wand op palen te funderen. Hierdoor zal de verstoring van het archeologisch bestand beperkt zijn. Een andere mogelijkheid is dat er bij eventuele graafwerkzaamheden een buffer van circa 40 cm wordt aangehouden ten opzichte van het archeologisch niveau. Dit betekent dat graafwerkzaamheden niet dieper mogen reiken dat 40 cm –mv. Gezien het feit dat het plangebied in het meest zuidelijke kwart snel oploopt is een vaste NAP-hoogte niet goed vast te stellen. Over het algemeen kan gesteld worden dat voor de eerste 200 meter (gezien vanaf het noorden) een ondergrens geldt van 61,20 m +NAP. In het meeste zuidelijke deel (ca. 50 m), oplopend van circa 61,60 tot 62,40 m +NAP, zal moeten worden gerekend vanaf het maaiveld. Indien planaanpassing niet mogelijk is, wordt aanbevolen in het kader van de bestaande planvorming de onderstaande vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. In de praktijk zal dit betekenen dat graafwerkzaamheden dieper dan de hierboven aangegeven ondergrens onder een archeologische begeleiding – variant archeologische opgraving zullen moeten plaatsvinden. Voorafgaand aan een dergelijk onderzoek zal een Programma van Eisen (PvE) moeten worden opgesteld. Dit PvE dient te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag alvorens de werkzaamheden kunnen beginnen.

Date: 2019-08-28

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/DANS-X4V-ZUZ8
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/DANS-X4V-ZUZ8
Provenance
Creator D Keijers; R.A. Vaessen
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor M.C. Diepeveen; RAAP Archeologisch Adviesbureau bv
Publication Year 2020
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact M.C. Diepeveen (Raap bv)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/octet-stream; text/comma-separated-values; text/xml
Size 10369; 15880; 7304; 7813; 1735; 2389
Version 2.1
Discipline Humanities