Resultaten inventariserend veldonderzoek (aanvullend karterend booronderzoek)
Opnieuw laten de meeste karterende boringen een intacte kalkhoudende polder-/ooivaaggrond zien. Slechts plaatselijk kon de zwak ontwikkelde verbruinings-Bw-horizont niet worden onderscheiden en bij één boring was sprake van een verstoorde bodemopbouw tot circa 80 cm -mv. Lokaal is een opgebrachte halfverhardingslaag van gebroken puin aanwezig, welke vanuit archeologisch oogpunt niet relevant is. Archeologische resten zijn in het opgeboorde bodemateriaal niet aangetroffen en tevens zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een oude cultuurlaag/oude woongrond. Op basis van de resultaten van het aanvullend karterend booronderzoek is er geen duidelijke aanleiding meer om nog de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat, op basis van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, de hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten en/of sporen uit de perioden IJzertijd t/m Vroege-Middeleeuwen/begin Late-Middeleeuwen (11e eeuw) bijgesteld dient te worden naar een lage verwachting. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het eerder uitgevoerde bureauonderzoek, wordt niet bevestigd voor wat betreft de verwachte archeologische waarden.
Advies
Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden, adviseert Econsultancy om binnen de oostelijke helft van het totale plangebied, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. In géén van de boringen zijn archeologisch relevante indicatoren aangetroffen. De westelijke helft van het totale plangebied is, op basis van de resultaten van het eerder uitgevoerde verkennend booronderzoek, reeds vrijgegeven.
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).