Uit het door adviesbureau Transect in 2024 uitgevoerde bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied in het
beekdal van de Vecht ligt waar diverse verhogingen, duinen, en oude meandergeulen in aanwezig zijn. Voor het
plangebied geldt een middelhoge tot hoge verwachting op resten uit de periodes laat-paleolithicum tot en met de
vroege middeleeuwen.
Het inventariserende veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek had tot doel in de gebieden die
worden ontgraven de archeologische verwachting te toetsen en de diepte van de archeologische laag te bepalen,
zodat vastgesteld kan worden met welke buffer er rekening gehouden moet worden tussen de ontgravingsdiepte en
de archeologische laag. Op basis hiervan zal worden bepaald of er vervolgonderzoek nodig is.
Uit het booronderzoek is gebleken dat in de onderzochte locaties rivierduinafzettingen en beekafzettingen
voorkomen, overeenkomstig met de vooraf opgestelde archeologische verwachting. Voor alle onderzochte gebieden
geldt dat op de zandkorrels een dun laagje ijzerhoudend materiaal is afgezet (ijzerhuidjes). Op basis van de opvallende
hoeveelheid ijzer in de bodem, de schrale bouwvoor, weinig tekenen van bodemvorming en het ontbreken van
kalkhoudende lagen is het bodemprofiel geïnterpreteerd als (duin)vaaggronden. Vaaggronden kenmerken zich door
een gebrek aan humeus materiaal, waardoor er geen duidelijke podzolering optreedt, in dit geval voornamelijk
geïnterpreteerd als BC-horizont. Het ontbreken van podzolering of een zwak ontwikkelde podzolering in deze gronden
zegt daarom weinig over de mogelijkheden van gebruik door de mens. De locaties vormden in het verleden, net als
nu, de hogere en dus voor gebruik aantrekkelijke delen van het landschap, waardoor ze een (middel)hoge verwachting
op archeologische resten hebben. In deelgebied 1 is een restant van een ophogingslaag, mogelijk van een akker of
esdek, aanwezig. In deelgebieden 7 en 8 zijn nagenoeg intacte podzolbodems aangeboord.
Op de locaties waar sprake is van grote hoeveelheden ijzerconcreties, vaak samen voorkomend met sterk lemig zand
tot leem, is de bodem geïnterpreteerd als beekafzetting. Deze interpretatie komt overeen met de aanwezigheid van
(rest)geulen rond de rivierduinen die op het AHN te onderscheiden zijn. Op basis van de volgorde van afzetten zijn in
het westen van het plangebied oudere beekafzettingen aangeboord en in het oosten jongere dan de rivierduinafzettingen. In beekafzettingen moet rekening gehouden worden met watergerelateerde vondsten en structuren.
Voor het plangebied is al besloten een opgraving in de vorm van een begeleiding uit te voeren.1 Op basis van de
resultaten van de boringen is dit de geëigende methode om ook de verwachtingen binnen de onderzochte locaties te
toetsen. Hiervoor moet nog een PvE worden geschreven. BAAC bv adviseert de werkzaamheden binnen de
deelgebieden mee te nemen met de nog uit te voeren opgraving in de vorm van een begeleiding. Indien de
werkzaamheden dit mogelijk maken is het aan te raden de begeleiding te starten op de locaties waar in de boringen
nog restanten van E, B of BC-horizonten aanwezig zijn. Als hier geen archeologische vondsten en/of sporen aanwezig
zijn, kan worden afgezien van de begeleiding van de podzolloze boorlocaties in de rivierduinafzettingen. Voor het
middendeel van locatie 1 en het noordelijke deel van locatie 7 geldt op basis van het booronderzoek een lage
verwachting op archeologie en wordt geadviseerd hier van vervolgonderzoek af te zien.
Bovenstaand advies dient voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (Provincie Overijssel) in het kader van de
vergunningsaanvraag en vormt de basis voor het selectiebesluit van de provincie. Dit betekent dat niet gestart kan
worden met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten.