Aanleiding voor het onderzoek zijn de plannen van de provincie Fryslan om de N381 te verbreden naar een weg met twee rijstroken per rijrichting. Omdat de weg door gebieden loopt met een hoge waardering voor archeologische resten is er, conform het Verdrag van Malta, archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. De provincie Fryslan heeft aan Archaeological Research & Consultancy (ARC bv) de opdracht gegeven het archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO) uit te voeren langs het trac´e tussen Drachten en Appelscha tot aan de provinciale grens met Drenthe. Een bureau-onderzoek is al uitgevoerd door RAAP als een Quickscan en een notitie. Uit dit onderzoek blijkt de hoge archeologische potentie van het gebied en de deels nog goede bodemopbouw.Het archeologisch booronderzoek is uitgevoerd in de periode van 19 juni tot en met 4 juli 2006. Het onderzoek stond onder leiding van drs. ing. G.J. de Roller en werd uitgevoerd met medewerking van drs. H.H. B¨urmann. Het vondstmateriaal dat uit de zeefresiduen afkomstig is, is gedetermineerd door mw. drs. R. den Boer (vuursteen), dr. H. Buitenhuis (faunaresten) en mw. drs. A. Ufkes (aardewerk).Naar aanleiding van het booronderzoek komen we tot de volgende aanbevelingen.Deelgebied 1.Het verdient aanbeveling om de nieuwe weg alleen westelijke van huidige weg aan te leggen. In het oosten liggen gronden met B-horizont, waar mogelijk archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Komt de nieuwe weg wel oostelijk van de huidige te lopen dan is het nodig om de boordichtheid in het gebied met B-horizonten te verdichten. In overleg met de provinciaal archeologen is afgesporken om een 2e raai op ca 25 m van de huidige raai te boren waarbij de boorpunten in de raai ten opzichte van elkaar verspringen. De afstand tussen de boorpunten wordt dan 50 m. Blijken de B-horizonten consecuent aanwezig te zijn dan wordt in beide raaien verdicht tot een 25 m grid, waarbij de bodem wordt bemonsterd met een boordiameter van 12 cm. De monsters worden gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Daarnaast wordt ter hoogte van boring 40 een dwarsraai loodrecht op de weg gezet. Op deze locatie geeft de FAMKE dobben aan welke in dit onderzoek niet zijn aangetroffen. Om uit te sluiten dat de boringen net over de dobbe springen is een dwarsraai noodzakelijk. De boorafstand in deze raai is 20 m. Bij het aantreffen van eendobbe is de veenkwaliteit van belang.Deelgebied 2.Hier zijn vanuit archeologisch oogpunt geen belemmeringen voor de voorgenomen werkzaamheden.Deelgebied 3.Aan weerszijden van de Opsterlandsche Compagnonsvaart bevinden zich gronden met een B-horizont. Hier bevelen wij een verdichting van het boorgrid aan, vergelijkbaar met deelgebied 1 en met dezelfde methodiek. Ook rond de boringen 126, 141 en 144, welke B-horizonten hebben wordt het boorgrid verdicht tot 50 m en indien noodzakelijkk tot 25 m waarbij de grond wordt gezeeft over een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Voor de rest van dit deelgebied zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen werkzaamheden.Deelgebied 4.Dit is een gebied met een hoge archeologische trefkans. Vermoedelijk zijn hier vuursteenvindplaatsen aanwezig. Rond de vindplaatsen van vuursteensplinters en houtskool bevelen wij een verdichting van het boorgrid naar 12,5×10 meter aan waarbij de bodem wordt bemonsterd met een boor van 12 cm diameter en de grond wordt gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Deelgebied 5.Hoewel het een gebied met reliëf in het dekzand is, zijn er relatief weinig Bhorizonten aangetroffen en ontbreken indicatoren. Voor dit deelgebied zijn er vanuit archeologisch oogpunt geen belemmeringen voor de aanleg van de weg. Deelgebied 6.Hier zijn de meeste bodems afgetopt. In de boringen 269, 284 en 285 zijn Bhorizonten aanwezig. Tussen deze boringen bevelen wij een verdichting van het boorgrid aan naar 50 m en als de B-horizonten consequent voorkomen een verdere verdichting naar 25 m waarbij de grond met een boor met 12 cm diameter wordt bemonsterd en wordt gezeeft over een 4 mm zeef om eventuele indicatoren op te sporen. Voor de rest van het deelgebied zijn er van uit archeologisch oogpunt geen belemmeringen voor de voorgenomen werkzaamheden.Deelgebied 7.Het betreft een helling in het dekzandoppervlak waar geen indicatoren zijn aangetroffen. Vanuit archeologisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen werkzaamheden.Deelgebied 8.De bodem is hier afgetopt ten gevolge van de ontginningen. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Er hoeft hier derhalve geen vervolg onderzoek plaats te vinden.Deelgebied 9.Hier bevindt zich een pingoruïne. Deze plekken zijn door hun overgang van droge naar vochtige/natte milieu’s aantrekkelijk geweest voor de mens. Er is een grote kans dat zich hier archeologische resten bevinden. Wij bevelen aan om hier als eerste de pingoruïne in kaart te brengen door middel van een kruisraai met boringen om de 20 m, tot in het dekzand. Daarnaast moet door middel van waterpassing de ligging van de mogelijke ringwal worden gelocaliseerd. Hierna kan een vervolgonderzoek, door middel van boringen om de 50 m welke indien nodig verdicht kunnen worden tot 25 m, op de ringwal worden uitgevoerd naar eventuele vindplaatsen. De boringen beperken zich tot dat deel van de ringwal dat binnen het tracé valt. Op de overgang naar het dal van de Tjonger bevinden zich veenafzettingen en lagen die rijk zijn aan organisch materiaal. Gezien de aanwezigheid van vindplaatsen van de Federmessergroep in het Tjongerdal, bevelen wij hier een verdichting van het boorgrid, met een 12 cm boor, aan naar 25×25 m waarbij de grond wordt bemonsterd en de monsters worden gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Deelgebied 10.Aan de noordoost kant van de weg bevinden zich gronden met een B-horizont. Hier geldt net als voor deelgebied 1 het advies om de weg in zuidwestelijke richting te verbreden. Indien dit niet mogelijk is, dan bevelen wij een verdichting van het boorgrid naar 25×25 m aan met een boordiameter van 12 cm waarbij de grond wordt gezeeft over een 4 mm zeef. Rond het boorpunt met houtskool (378) wordt een grid geboord van 12,5 bij 10 meter. Deelgebied 11.Hoewel dit een brongebied is van het Kleine Diep, ontbreken B-horizonten en archeologische indicatoren. Vanuit archeologisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de verdubbeling van de weg.Deelgebied 12.Hier zijn alleen afgetopte bodems aangetroffen. Er zijn vanuit archeologisch oogpunt geen belemmeringen voor de voorgenomen werkzaamheden. Deelgebied 13.De zandondergrond duikt hier weg, er zijn geen B-horizonten aangetroffen en indicatoren ontbreken. Er zijn vanuit archeologisch oogpunt geen belemmeringen voor de voorgenomen werkzaamheden.Deelgebied 14.Voor de gebieden met een esdek bevelen wij vervolgonderzoek aan door middel van proefsleuven. De proefsleuven moeten duidelijk maken of zich hier nederzettingsresten onder het esdek bevinden. Hoewel in de bossen van Appelscha op veel locaties een B-horizont aanwezig is ontbreken archeologische indicatoren. Voor dit deel bevelen wij aan om geen vervolgonderzoek uit te voeren.Deelgebied 15.wij bevelen aan om de weg hier in noordelijke richting aan te leggen. Ten zuiden van de weg bevindt zich een mogelijke pingoru¨ıne die, als de weg wel in zuidelijke richting verbreedt wordt nader in kaart gebracht moet worden door middel van een kruisraai met boringen om de 5 meter en waterpassing van het terrein. Als de ligging van de ringwal duidelijk is kan hier een boorgrid over gelegd worden om na te gaan of zich hier nog vindplaatsen bevinden.Overige aanbevelingenHet terrein bij Oosterwolde, waar geen betredingstoestemming voor was (A. Koopmans) moet, zodra de toestemming geregeld is, worden onderzocht. Op het terrein bevinden zich zeker twee vindplaatsen (archis waarnemingsnrs. 12268 en 12237). Van de vindplaatsen moet de horizontale verspreiding worden vastgesteld en er moet worden nagegaan of zich hier meer vindplaatsen bevinden. Daarbij kan het beste meteen van intensieve boringen (25×25 m grid) met een mega boor en het zeven van de grond over een 4 mm zeef uitgegaan worden. Mochten er bij de uitvoering van de werkzaamheden onverhoopt grondsporen en/of vondsten worden aangetroffen, dient hiervan direct melding te worden gemaakt bij de provinciaal archeoloog, dr. G.J. de Langen.
Date: 2006