In opdracht van de gemeente Utrecht heeft BAAC bv op 23 en 24 maart 2015 een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd in plangebied Victor Hugoplantsoen te Utrecht, gemeente Utrecht. De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de voorgenomen realisatie van een fietsbrug waardoor een hoofdfietsverbinding zal ontstaan tussen Leidsche Rijn en het centrum van Utrecht. Het onderzoeksterrein is gelegen ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal en wordt omsloten door de Johan Wagenaarkade in het westen, de bebouwing langs de Catharina van Renneslaan in het zuiden en de Everhard Meijsterlaan in het oosten. Het noordelijke deel van het onderzoeksterrein betreft een onbebouwd terrein bestaand uit grasland (plantsoen), en een zuidelijk deel waar recentelijk delen van scholen zijn gesloopt. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 1,9 ha. De oppervlakte van het onderzoeksterrein (noordelijk deel plangebied) bedraagt 0,3 ha.Op de Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht is aan het plangebied een archeologische verwachting toegekend. Het uitgevoerde onderzoek is het vervolg op een proefsleuvenonderzoek uit 2003 dat gedeeltelijk binnen het huidige onderzoeksterrein heeft plaatsgevonden en een gecombineerd bureau- en karterend booronderzoek dat in 2012 heeft plaatsgevonden. Het onderzoeksterrein bevindt zich ter hoogte van een middeleeuwse restgeul van de Oude Rijn. Tijdens het eerdere proefsleuvenonderzoek werden geen sporen aangetroffen en slechts weinig vondstmateriaal. Tijdens het booronderzoek zijn aanwijzingen gevonden voor een nederzettingsterrein ten zuiden van deze middeleeuwse restgeul, in de vorm van houtskool, bot, puin en fosfaat. Deze vindplaats dateert volgens de onderzoekers uit de middeleeuwen.Tijdens het onderhavige onderzoek zijn drie proefsleuven met een totale oppervlakte van 220 m² onderzocht. Het onderzoeksterrein ligt in z’n geheel binnen de meandergordel van de Oude Rijn, ter hoogte van de meest noordelijke begrenzing van een tijdens de vroege middeleeuwen ontstane stroomgeul. Deze loop heeft zich gedurende de vroege en het begin van de volle middeleeuwen geleidelijk aan in noordelijke richting verplaatst, waarbij het meerdere (rest- en kronkelwaard) geulen heeft gevormd. Het onderzoeksterrein ligt grotendeels binnen de contouren van een dergelijke restgeul, die vermoedelijk in de 9e eeuw na Chr. is gereactiveerd. De top van zowel de restgeulafzettingen als de aangrenzende beddingafzettingen wordt gekenmerkt door een vegetatiehorizont (spoor 1600), wat duidt op een potentieel leefniveau. In deze vegetatiehorizont en in de onderliggende vulling van de gereactiveerde geul is aardewerk uit de volle middeleeuwen aangetroffen. Een daarboven gelegen jongere vegetatiehorizont (spoor 1500) wordt op basis van vondstmateriaal, historische en geologische informatie gedateerd in late middeleeuwen.Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn zowel in de noordelijke als zuidelijke punt van proefsleuf 1 sporen aangetroffen. In het zuiden van proefsleuf 1 werd een kuil aangetroffen, die op basis van de stratigrafische ligging dateert uit het einde van de vroege middeleeuwen of de volle middeleeuwen: deze wordt afgedekt door een vegetatiehorizont uit de volle middeleeuwen en is door een kalkrijke zavellaag gegraven die algemeen gedateerd wordt in de 9e eeuw. In het noorden van de proefsleuf werden een kuil en twee paalsporen aangetroffen. Deze sporen kunnen op basis van hun stratigrafische ligging slechts globaal gedateerd worden in de periode vroege middeleeuwen D t/m late middeleeuwen, omdat juist op dit punt de vegetatiehorizonten uit de 9e eeuw, volle en late middeleeuwen samenkomen. Het is dus niet exact te bepalen vanuit welk niveau de sporen destijds zijn gegraven. Gezien de dezelfde ligging ten opzichte van NAP als spoor 1006 in het zuiden van de proefsleuf kan voorzichtig worden geconcludeerd dat de sporen dezelfde datering hebben, maar zeker is dat allerminst niet.De sporen bevinden zich op zowel de noordelijke als zuidelijke flank van een middeleeuwse restgeul. Het lijkt hier te gaan om sporen van de rand van een nederzetting. De kern van de nederzetting kan zich zowel ten noorden als ten zuiden van de vindplaats bevinden. Het vondstmateriaal is voornamelijk aan de zuidzijde van de restgeul aangetroffen. Indien wordt aangenomen dat alle sporen uit dezelfde periode dateren, dan moet binnen de onderzochte zone sprake zijn geweest van een drassige zone die periodiek watervoerend was. Ten tijde van kwel of extreem hoog water was de overgebleven depressie nog watervoerend en werd een dunne laag klei afgezet. In proefsleuf 2 en 3 ontbreken middeleeuwse sporen. In proefsleuf 2 werd een perceelsgreppel aangetroffen die waarschijnlijk dateert uit de nieuwe tijd.De afdekking door een antropogeen ophoogpakket en een dun kleipakket (spoor 1500/1501) heeft er toe geleid dat de aanwezige sporen goed bewaard zijn gebleven, ondanks de infrastructurele werkzaamheden die rond het plangebied hebben plaatsgevonden. De relatief hoge grondwaterstanden zullen een goede conservering van organische materiaal met zich mee hebben gebracht.
Date: 23/03/2015 (veldwerk)