Uit het bureauonderzoek komt naar voren dat het onderzoeksgebied op een lage dekzandrug ligt, die tot in het laatneolithicum boven een zee van hoogveen uitstak. Op de FAMKE-advieskaart voor de periode steentijd-bronstijd staan twee vuursteenvindplaatsen gekarteerd. Sporen op dergelijke vindplaatsen kunnen bestaan uit haardkuilen, vondstmateriaal kan bestaan uit vuursteen, natuursteen, houtskool en verkoolde hazelnootdoppen. Dergelijke sporen en vondsten kunnen dateren in de periode van het laat-paleolithicum tot en met het laat-neolithicum. Vanaf de bronstijd was het onderzoeksgebied volledig overveend. Deze situatie bleef vrijwel ongewijzigd tot en met de middeleeuwen. In de late middeleeuwen werd begonnen met de ontginning van het veen. In die periode ontstonden
bijvoorbeeld de dorpen Oudega en Idzega.
Aan het eind van de 15e eeuw werd pal naast het huidige onderzoeksgebied een augustinessen-klooster gebouwd. Het valt niet uit te sluiten dat het klooster of eventuele opstallen ook deels in het huidige onderzoeksgebied hebben
gelegen. In dat geval kunnen sporen, structuren en vondsten uit de 16e eeuw worden aangetroffen. Dit kan gaan om resten van grachten, sloten en erfgreppels, funderingsresten, waterputten, afvalkuilen en mogelijk zelfs graven.
Vondsmateriaal kan bestaan uit aardewerk, bouwkeramiek, glas, metaal, natuursteen, dierlijk bot, leer, botanische resten, en hout.
Het verwachtingsmodel is getoetst middels een verkennend booronderzoek, en voor een groot deel van het gebied ook een karterend booronderzoek. Uit de verkennende boringen blijkt dat vrijwel overal binnen het onderzoeksgebied sprake is van een intacte podzolbodem, met bijbehorende hoge verwachting voor de steentijd. Aanwijzingen van mogelijk gebruik van het gebied in latere perioden zijn niet aangetroffen. In verband met de hoge verwachting voor resten uit de steentijd is vervolgens een karterend onderzoek uitgevoerd, waarbij de betreffende
verkennende boringen met een megaboor zijn overgezet en bemonsterd, en vervolgens verdichtende karterende boringen zijn gezet, waarvan de boringen met een podzol E- of B-horizont zijn bemonsterd. In enkele boringen is een minimale hoeveelheid houtskool aanwezig, dat is geïnterpreteerd als van natuurlijke oorsprong. Hetzelfde geldt voor een miniem, onverbrand fragment dierlijk bot dat in één van de boringen is aangetroffen. Op basis van het karterend booronderzoek kan de verwachting voor de aanwezigheid van vindplaatsen uit de steentijd worden bijgesteld naar een lage verwachting.
De vuursteenvindplaatsen die in (G33) en naast (G86) het onderzoeksgebied zijn aangegeven op de FAMKE blijken in werkelijkheid zuidelijker te liggen dan op de FAMKE. In beide gevallen gaat het om mesolithische vindplaatsen met meerdere artefacten. Tijdens het booronderzoek zijn rondom de vindplaats (G33) geen aanwijzingen aangetroffen van een vuursteenvindplaats.