Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O) Blijham, Hoofdweg 95, gemeente Westerwolde (GR)

DOI

Op de AHN is te zien dat de Hoofdweg, waar het plangebied aan gelegen is, op een hoger gelegen rug ligt. Deze hoger gelegen rug heeft een noord-zuid oriëntatie. Met name het oostelijke deel van het plangebied is gelegen op deze rug. Het westen van het plangebied ligt daarom wat lager dan het oostelijk deel van het plangebied. Uit de geomorfologische kaart blijkt dat de zandrug bestaat uit een vlakte van verspoelde dekzanden. Deze verspoelde dekzanden zijn ontstaan doordat het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa’s in sommige terreingedeelten vrij veel dekzand opgenomen heeft en in lagergelegen gebieden weer heeft afgezet. Hier vond vervolgens weer geringe verstuiving plaats. Niet alleen zand, maar ook de door de wind onder arctische omstandigheden afgezette löss is op vele plaatsen nadien door water verplaatst. Het op deze wijze afgezette materiaal ligt zowel relatief laag als relatief hoog. Dergelijke vormen zijn o.a. nabij Boxtel te vinden. De geraadpleegde paleogeografische kaarten laten zien dan deze zandrug tussen 2750 en 1500 v. Chr. onder het veen is verdwenen. Ook op de kaart die het beeld van 1500 na Chr. weergeeft is het plangebied nog bedekt met veen. Op de bodemkaart komen in het plangebied veldpodzolgronden in leemarm en zwak lemig zand voor.
Binnen het plangebied is 1 vondstlocatie bekend van een stenenspeerpunt daterend uit het Paleolithicum – Neolithicum. Verder zijn in het plangebied vanaf de vroege-middeleeuwen vooral locaties bekend behorend tot de tijd waarin het veen rondom het plangebied ontgonnen werd.
Blijham is ontstaan als veenontginningsdorp. Hierdoor is het langzaam uitgegroeid langs de hoofdweg waar het plangebied ook gelegen is, aangezien de hoofdweg gelegen is op een hoger gelegen zandrug in het landschap.
Laat-paleolithicum tot en met neolithicum Ter hoogte van het plangebied wordt de pleistocene ondergrond direct onder de bouwvoor verwacht worden. Eventuele vindplaatsen uit deze periode worden verwacht op dekzandkoppen en -ruggen. Het plangebied ligt niet op een dekzandkop of -rug. Er zijn echter wel vondsten uit deze periode bekend en het gebied was droog genoeg voor bewoning. Eventuele resten worden verwacht in de top van het dekzand. Deze werd bij veenontginningen vaak afgegraven. Er zijn in de omgeving nog wel (deels) intact podzolbodems aangetroffen. De verwachting voor deze periode is daarom middelhoog.
Bronstijd tot en met de Romeinse tijd
Voor het plangebied geldt een lage verwachting voor resten uit het neolithicum tot en met de Romeinse tijd. Het gebied in en rondom het plangebied was in deze periode bedekt met veen en waarschijnlijk te nat voor permanente bewoning. Het veen is later ontgonnen waardoor eventuele vondsten uit deze periode kunnen zijn verdwenen.
Vroege middeleeuwen
Vanaf de vroege middeleeuwen wordt in het onderzoeksgebied voor het eerst gestart met veenontginningen. Bewoning vond plaats op de hogere delen in het landschap, zoals dekzandkoppen en -ruggen. Het onderzoeksgebied lag niet in de hoger gelegen regio’s en was nog te nat voor bewoning. De verwachting voor deze periode is daarom laag. Middeleeuwen en de nieuwe tijd Tijdens de middeleeuwen werd de grond rondom het plangebied steeds meer gebruikt voor landbouw, waardoor de populatie groeide. Het plangebied zelf ligt op een zogeheten veenontginningsdorp. Langs deze weg lagen de boerderijen waar men woonde die het achterland gebruikte voor akkerbouw. Het plangebied lijkt echter pas vanaf de jaren ’60 van de vorige eeuw bebouwd te zijn. Mogelijk heeft er voor de vroegste kadastrale kaarten uit 1850 nog wel bebouwing gestaan. Eventuele archeologische resten uit de nieuwe tijd kunnen vanaf het maaiveld aanwezig zijn. De verwachting voor deze periode is middelhoog.

Conform het advies in paragraaf 2.7 en de gemeentelijke richtlijnen zijn in eerste instantie 6 boringen in het plangebied gezet met een Ø 7 cm edelmanboor. Er is getracht de boringen verspreid over het plangebied uit te voeren, maar dit werd bemoeilijkt door de aanwezigheid van veel puin in de bovengrond en de dichte begroeiing aan de oostkant van de locatie. De boringen zijn met het blote oog beoordeeld en conform ASB 5.2 en NEN 5104 beschreven. De boorpunten zijn ingemeten met een GPS. Uit het booronderzoek bleek dat de bodem bestaat uit sterk siltig zand en (sterk veraard) veen op dekzand. Er zijn geen diepe bodemverstoringen aangetoond tijdens het booronderzoek. Ook is er geen podzolbodem aangetroffen.
Op basis van de resultaten is gebleken dat er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten zijn. De archeologische verwachting voor het laat-paleolithicum tot het met het neolithicum en de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd kan worden bijgesteld naar laag. Er wordt daarom geen verder onderzoek geadviseerd en het plangebied kan vrijgegeven worden.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/GYF1Q3
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/GYF1Q3
Provenance
Creator S. de Graaf; F. Bosscher; L. Soetens
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Bakker, AM
Publication Year 2026
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Bakker, AM (Lycens bv)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf
Size 12963477
Version 1.0
Discipline Humanities