ADC ArcheoProjecten heeft een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek middels grondboringen uitgevoerd voor het plangebied ‘Waterberging’, locaties 5, 6, 7, 8, 9, 11 en 14 te Vianen. Op de genoemde locaties zullen waterbergingen worden aangelegd om de waterafvoer in de nieuw te bouwen wijk ‘Hoef en Haag’ goed te kunnen beheren. Hierbij zal de bodem worden verstoord tot op een diepte van circa 200 cm –mv.Op basis van het bureauonderzoek kan gesteld worden dat binnen het plangebied in de ondergrond sprake is van oever- en/of beddingafzettingen van de Vuylkoop en Tienhoven meandergordel (Formatie van Echteld). Vooral in of aan de top van de Vuylkoop meandergordel bestaat een hoge kans op het voorkomen van archeologische waarden uit de periode IJzertijd t/m de Romeinse tijd. Zo bevindt zich nabij deellocatie 14, direct ten oosten van de A27, een vindplaats waar zeker in de (Vroege) IJzertijd sprake was van bewoning. Het gaat daarbij om een vindplaats in de top van oeverafzettingen van de Vuylkoopse stroomgordel. Op circa 1,0 m +NAP (0,4 m -Mv) bevindt zich hier een vegetatiehorizont, die in de IJzertijd en wellicht ook de Romeinse tijd en/of Vroege Middeleeuwen het maaiveld vormde. Op dit niveau zijn afgezien van enkele fragmenten ijzertijd aardewerk evenwel geen sporen of vondsten aangetroffen. Op een dieper niveau, 0,5 m +NAP (0,9 m –mv) bevindt zich een tweede vegetatieniveau. Hierin zijn zowel vondsten als sporen, o.a. paalgaten, uit de (Vroege IJzertijd aangetroffen. Tijdens een in 2008 uitgevoerde proefsleuvenonderzoek kon de exacte omvang van de vindplaats niet vastgesteld worden. In 2012/2013 is vervolgens in het gebied ten oosten van de vindplaats een grootschalig booronderzoek verricht. Hierbij kon vastgesteld worden dat de vindplaats zich in ieder geval nog verder in oostelijke richting uitstrekt.De kans op het voorkomen van resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd binnen het plangebied is laag. Teneinde de specifieke archeologische verwachting te toetsen is op de desbetreffende locaties gefaseerd een inventariserend booronderzoek middels grondboringen uitgevoerd. Als eerste is daarbij op de locaties 5, 6,11 en 14 een verkennend booronderzoek verricht waarbij in totaal 33 boringen tot minimaal 200 cm –mv gezet zijn. In een later stadium is vervolgens op de locaties 7, 8 en 9 een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. In de verkennende fase zijn hier 12 boringen gezet. Daaruit bleek dat op de locaties 7 en 8 sprake is van het voorkomen van vegetatiehorizonten aan of net boven de oeverafzettingen van de Vuylkoop meandergordel. Naar aanleiding daarvan zijn aanvullende, karterende boringen geplaatst.Op basis van de resultaten van het booronderzoek kan gesteld worden dat op de deellocaties 5 en 6 sprake is van het voorkomen van oeverafzettingen van de Vuylkoop stroomgordel (top gemiddeld 100 à 150 cm –mv). De oeverafzettingen (voormalige kronkelwaard) zijn niet of weinig aangetast door (antropogene) bodemverstoring. Dit niveau is in deze zone ontkalkt wat betekent dat het lange tijd aan het oppervlak heeft gelegen. In de zone vanaf boring 10 t/m 15 komt plaatselijk een vegetatiehorizont voor aan of net boven de top van de oeverafzettingen, op een diepte van circa 0 tot 0,5 m -NAP. De deellocaties 7 en 8 vertonen eenzelfde soort beeld. De top van de oeverafzettingen ligt hier op een diepte van 100 cm –mv in het oosten tot 170 cm –mv in het westen. In zijn algemeenheid geldt dat de top van de Vuylkoop stroomgordel vrij intact is, gelet op de volgende kenmerken: de oeverafzettingen zijn bovenin kalkloos, zijn niet aangetast door antropogene bodemverstoringen, met uitzondering van de zone rond boring 3. In de boringen 1, 2, 4, 5, 6, en 8 komt net boven of aan de top van de oeverafzettingen een vegetatiehorizont voor, op een diepte van circa 0 tot 0,5 m + NAP. Dit is dus hoger als bij deellocatie 5 en 6. In 1 boring (boring 14, nabij boring 4) zijn verder venige bandjes aangetroffen boven de oeverafzettingen. De algehele sedimentologische opbouw wijst hier op geleidelijke afdekking van de (niet meer actieve) Vuylkoop stroomgordel met komklei met vooral in het begin een periode van begroeiing, in een relatief nat milieu. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden zijn niet aangetroffen. Op deellocatie 9 bestaat de bodem tot op een diepte ruim beneden de 200 cm – mv geheel uit komafzettingen. Hierin alsook op diepere niveau’s zijn geen aanwijzingen waargenomen voor de aanwezigheid van archeologische waarden. In het noordelijk deel van het plangebied, locatie 11, komen in de bovenste 2 meter met name oever/overslagafzettingen en komafzettingen van de Lek voor. De bodemopbouw wijst op een ligging naast de (voormalige) oeverwal van de Vuylkoop stroomgordel en er zijn hier binnen de voorgenomen verstoringsdiepte van 200 cm –mv geen archeologisch relevante lagen aanwezig. Op locatie 14 in het zuiden van het plangebied bevindt de top van de oeverafzettingen van de Vuylkoop stroomgordel zich op een diepte van 40 tot 130 cm –mv en deze lijkt weinig te zijn aangetast door bodemverstoring. Er komen echter geen vegetatiehorizonten of andere tekenen van een oud bodemoppervlak voor aan de top van de oeverafzettingen die kunnen wijzen op mogelijke archeologische waarden. Een voortzetting van de ten oosten van de A27 gelegen IJzertijdvindplaats lijkt op basis hiervan dus niet waarschijnlijk. Die kenmerkt zich namelijk o.a. door de aanwezigheid van twee, boven elkaar gelegen, vegetatiehorizonten op een diepte van respectievelijk 0,5 m +NAP en 0,9 m +NAP. Een dergelijke vegetatiehorizont is bijvoorbeeld wel ten oosten van het in 2005 uitgevoerde onderzoek aangetroffen. Vooralsnog wordt daarom niet uitgegaan van een voortzetting van de vindplaats tot op deellocatie 14, maar zeker is dat niet.Op basis van het bovenstaande adviseert ADC ArcheoProjecten om de deellocaties 9 en 11 vrij te geven wat betreft archeologie. Uit het inventariserend veldonderzoek is gebleken dat in deze zone de kans op het aantreffen van archeologische waarden laag is. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen dit deel toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet. Op de deellocaties 5, 6, 7, 8 en 14 zijn geen concrete aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden aangetroffen. Vooralsnog kan de aanwezigheid van archeologische waarden uit, vermoedelijk de IJzertijd, hier echter niet uitgesloten worden. Dit vanwege het feit dat aan of net boven de top van de hier aanwezige oeverafzettingen van de Vuylkoop meandergordel sprake is van het voorkomen van vegetatiehorizonten. Indien sprake is van de aanwezigheid van archeologische waarden gaat het op de deellocaties 5, 6, 7 en 8 vermoedelijk om sporen en/of vondsten die samenhangen met een extensief gebruik van het landschap door de mens gedurende de IJzertijd/Romeinse tijd. Dit vanwege het feit dat het om een relatief laag gelegen zone in het landschap gaat en de aanwezige vegetatiehorizonten onder relatief natte condities gevormd lijken te zijn. De archeologische neerslag van een dergelijk extensief gebruik bestaat in dat geval waarschijnlijk alleen uit sporen met een zeer lokale verspreiding, bijvoorbeeld (rituele) deposities in kuilen. Op deellocatie 14 kan vooralsnog een voortzetting van de ten oosten ervan gelegen IJzertijdvindplaats niet volledig uitgesloten worden. Op basis hiervan adviseert ADC ArcheoProjecten om de voorgenomen ontwikkeling op de deellocaties 5, 6, 7, 8 en 14 archeologisch te begeleiden. De archeologische begeleiding dient hetzelfde doel als een inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Dit betekent dat indien bij de civiele werkzaamheden toch vondsten of archeologische sporen worden aangetroffen, deze worden geregistreerd en, in zoverre de werkzaamheden dat toelaten, worden gedocumenteerd. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).Geadviseerd wordt verder om in het PVE een aanwijzing op te nemen dat als gedurende de begeleiding blijkt dat geen of nauwelijks sporen of vondsten aanwezig zijn, de begeleiding stop gezet kan worden. Het verdient verder de aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet. Wij wijzen u erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een besluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit besluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.
Vianen, waterberging De Hagen
Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek middels grondboringen