Uit archeologisch booronderzoek was bekend waar zich in het ontwikkelingsgebied Haverleij dekzandkoppen bevonden gelegen boven 1,75 +NAP. Door archeologische opgravingen was gebleken dat dergelijke dekzandkoppen vooral vanaf de Bronstijd de voorkeur hadden als bewoningslocatie. Dit hield waarschijnlijk verband met de vernatting van het gebied vanaf de Midden Bronstijd. Bij de opgraving aan de Kraanvogellaan werden grondsporen uit het Laat Neolithicum/Midden Bronstijd aangetroffen. Het relatief geringe aantal grondsporen en vondstmateriaal lijkt niet te duiden op een erf. Waarschijnlijk werd het terrein gebruikt door mensen afkomstig van een zeer nabij gelegen nederzetting. In de IJzertijd heeft het terrein een tijd dienst gedaan als akker. Wat de vele sporen betekenen uit een latere fase van de IJzertijd is onbekend.De veronderstelling dat dekzandkoppen gelegen boven de 1,75 +NAP aantrekkelijke bewoningslocaties waren lijkt met deze opgraving bevestigd te worden. De tijdens de opgraving aangetroffen witte stuifzandlaag daterend uit het eind van de Midden Bronstijd of de overgang Late Bronstijd/Vroege IJzertijd is ongetwijfeld dezelfde laag die is aangetroffen bij eerdere archeologische onderzoeken rondom Engelen (Dautzenberg 2000 en 2002). Bij opgravingen in het centrum van ‘s-Hertogenbosch (Geertruiklooster en Ruische poort) en te Empel (Hambakenweg) werden op de fl ank van een dekzandkop eveneens eergetouwsporen uit de IJzertijd aangetroffen met een vulling van wit zand. Het witte zand was ook hier telkens afkomstig van een stuifzandlaag die de dekzandkop afdekte (Zoetbrood, 43 en Jungerius, 40).Uit het bovenstaande blijkt dat in de regio ’s-Hertogenbosch op verschillende plaatsen tijdens opgravingen een stuifzandlaag van wit zand is aangetroffen die sporen uit de Midden Bronstijd afdekt. Vondsten uit de stuifzandlaag dateren vanaf de Vroege IJzertijd. De laag wijst op het voorkomen van zandverstuivingen in deze periode, mogelijk ten gevolge van droogte of overbegrazing. Wellicht kan deze hypothese tijdens toekomstige opgravingen getoetst worden.