Synthegra B.V. heeft in opdracht van bedrijf XXX een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een karterend booronderzoek uitgevoerd op een terrein aan de Hoofdweg 13 te Hellum. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen realisatie van een bewaarloods.
De oppervlakte van het plangebied bedraagt 2200 m2. De toekomstige bodemverstoring bedraagt 2200 m2 met een diepte van 80 centimeter beneden maaiveld. De bodem zal waarschijnlijk tot ver in het archeologische niveau worden verstoord. Eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen daarbij verloren gaan.
Het plangebied ligt op een grondmorene afgedekt met dekzand waarin een laarpodzolbodem is ontwikkeld. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd met uitzondering van de periode ijzertijd – vroege middeleeuwen waar het plangebied begroeid was met veen. Uit deze periode zijn toch waarnemingen gedaan ten oosten van het plangebied waardoor voor deze periode de verwachting middelhoog is. Vooral de ligging op een bekende buitenplaats waarvan direct ten zuiden nog de restanten van een grachtlichaam weergegeven zijn op historische kaarten verhogen de kansen. Op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw staat nog bebouwing binnen de grenzen van het plangebied weergegeven.
Bodemgaafheid: er kan een redelijk intact bodemprofiel verwacht worden (verstoord door ploegen) al dan niet met cultuurlaag.
Het natuurlijke bodemtype is in het hele plangebied verstoord door ploeg- of graafwerkzaamheden tot minimaal 50 en maximaal 100 cm beneden maaiveld, waarschijnlijk door ploegen.
Vuursteenvindplaatsen bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, en bevinden zich in de bovengrond van de oorspronkelijke podzolgrond. Aangezien deze horizonten zijn verstoord, zijn eventueel aanwezige vuursteenvindplaatsen verloren gegaan.
Nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken en zijn mogelijk nog intact. Gezien de afwezigheid van sporen van bodemvorming en de dikte van de verstoring lijken sporen van voor de Nieuwe Tijd afwezig te zijn. In twee boringen (2 en 5) is echter wel de gracht aangetroffen, mogelijk verwant aan de borg. Verder is zeer veel bouwpuin aangetroffen in het bovenste pakket en aan het maaiveld. Hier zouden eventueel ook resten van deze borg of latere gebouwen bij kunnen zitten, maar door de gefragmenteerde aard van het bouwpuin en de verstoorde aard van het pakket waar deze uitkomen, is de verwachting dat deze resten niet meer intact zijn. De baksteenfragmenten hebben op basis van kleur en hardheid een datering mogelijk in de 18e/19e eeuw Het mogelijke archeologische niveau bevindt zich op gemiddeld 0,1 m +NAP (circa 50/60 xm beneden maaiveld.
Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied zoals omschreven in de vergunningsaanvraag nader archeologisch onderzoek geadviseerd.
Op basis van de resultaten van het booronderzoek is mogelijk een archeologische vindplaats in het plangebied aanwezig. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 0,4 m +NAP, wat in de meeste gevallen 20/30 cm -Mv betreft (de diepteligging van het mogelijk archeologische niveau en een bufferzone van 30 cm) kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek noodzakelijk. Wij adviseren een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd.