(25914.001) Eindrapportage archeologisch vooronderzoek Oude Needseweg (ong.) in Eibergen

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum en Middeleeuwen, een (zeer) hoge verwachting voor de perioden Laat-Neolithicum t/m Romeinse tijd en een lage verwachting voor de periode Nieuwe tijd. Dit vooral op basis van de landschappelijke ligging van het plangebied binnen het landschap van het Oost-Nederlandse Plateau ligt en specifiek op de zuidwestelijke uitloper van een (deels) met een relatief dunne laag dekzand bedekte, plateau-achtige terrasrest. Het plangebied ligt daarmee in een gradiëntzone, echter op afstand van natuurlijke waterbronnen vandaan. In de directe omgeving van het plangebied zijn tot op heden nog geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van vuursteenvindplaatsen. Wel heeft het plangebied gunstige bodemkundige eigenschappen voor het ontplooien van (prehistorische) landbouwactiviteiten en zal vanaf het Laat-Neolithicum een sterke aantrekkingskracht gehad op landbouwgemeenschappen. Nabij het plangebied ligt een in ARCHIS3 geregistreerde grafheuvel die dateert uit het Laat-Neolithicum of de Bronstijd en op basis van de resultaten van een afstudeerproject over de grafheuvels van Eibergen, ligt er mogelijk nog een tweede grafheuvel nabij het plangebied. Verder bevindt zich circa 350 meter ten noordoosten van het plangebied en verder doorlopend in noordoostelijke richting, een terrein waar enkele scherven aardewerk uit de IJzertijd en Romeinse tijd zijn gevonden en daarmee bewoningssporen uit deze perioden worden verwacht. Tevens laat het hoogtebeeld nabij het plangebied lijnvormige structuren/wallen zien en is er een bronsdepot bekend, bestaande uit sieraden en gebruiksvoorwerpen uit de Late-Bronstijd (1100-800 v.Chr.). Het vormen duidelijke aanwijzingen dat er rondom het plangebied tijdens de Late-Prehistorische menselijke activiteiten hebben plaatsgevonden en dat (de randen van) de hoger gelegen terrasresten gezien werden als potentieel geschikte bewoningslocaties. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft aan dat het plangebied vanaf in ieder geval het begin van de 19e eeuw voor langere tijd woeste grond/heide betrof dat overging in bos. Het plangebied heeft in ieder geval tijdens de 19e en 20e eeuw geen deel uitgemaakt van een oud bouwland-complex. Er zijn verder geen aanwijzingen dat binnen het plangebied een historisch erf heeft gelegen.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) bevestigd de door de regio-archeologen van de Omgevingsdienst Achterhoek eerder gestelde voorlopige conclusie dat in het zuidwestelijke deel van het plangebied recente bodemverstoringen hebben plaatsgevonden, ten gevolge van de huidige inrichting als natuurbegraafplaats. Restanten van het oorspronkelijke/van nature gevormde bodemprofiel zijn hier niet aangetroffen. De boringen gezet in het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied, dat nog merendeels onaangetast/gesloten bos betreft, laten nog wel een intact restant van de natuurlijke/oorspronkelijke holtpodzolbodem/bruine bosgrond zien (Bws-/BC- of direct BC-horizont), tussen circa 20/30 en 40/65 cm -mv. Bij het merendeel van de boringen betreft het oorspronkelijk moedermateriaal een relatief dunne laag dekzandafzettingen (waargenomen tot een diepte van minimaal 85 en maximaal 145 cm -mv) op grondmoreneafzettingen.

Enkele gezette boringen ter plaatse van de wallichamen laten een duidelijk dikker pakket vrij egaal gekleurd humeus zand zien met hieronder nog een (deels) intact oorspronkelijk/natuurlijk bodemprofiel. Bij één boring gezet op de wallichamen (boring 14) is een vrij vlekkerige humeuze onderlaag waargenomen, met navolgend een scherpe overgang zien direct naar de C-horizont.

Conclusie Op basis van de aangetroffen bodemopbouw wordt geconcludeerd dat binnen het zuidwestelijke deel van het plangebied/de reeds ingerichte natuurbegraafplaats (zie kaart 17) het archeologisch potentiële sporen-niveau al merendeels, zo niet geheel te zijn aangetast. De waargenomen verstoringen komen goed overeen met genomen foto’s tijdens de eerdere aanleg van een aantal graven. Voor het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied (zie kaart 17) wordt geconcludeerd dat het archeologisch potentiële vondstniveau zal zijn aangetast, maar dat het archeologisch potentiële sporenniveau nog wel (deels) intact aanwezig is. Dit betekent dat eventuele vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars (Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) zullen zijn verstoord, maar dat sporen van permanente bewoning (landbouwers) nog wel intact kunnen worden aangetroffen. Archeologische sporen (indien aanwezig) zullen meest duidelijk zichtbaar zijn in de BC-horizont en op de overgang naar de C-horizont (tussen circa 30 en 65 cm -mv).

Voor het zuidwestelijke deel van het plangebied kan de verwachting voor alle archeologische perioden bijgesteld worden naar een lage verwachting. Voor het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied kan de verwachting voor de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum (aanwezigheid van intacte vuursteenvindplaatsen) ook bijgesteld worden naar een lage verwachting, echter voor de perioden Laat-Neolithicum t/m Middeleeuwen dient de (zeer) hoge tot middelhoge verwachting te worden gehandhaafd.

Duidelijke uitspraken over de ouderdom van de wallichamen kunnen niet worden gemaakt, echter de egale kleuring van het pakket opgebrachte grond van de wallichamen wijst niet op navolgende bodemvormde processen in het pakket opgebrachte grond voor langere tijdsduur. Ook de gevlekte laag ter plaatse van boring 14 is tussen 65 en 75 cm -mv wijst meer naar relatief jonge antropogene ingrepen. Vooralsnog geeft dit de indruk dat de wallichamen eerder in de Middeleeuwen/Nieuwe tijd zijn aangelegd, dan dat dit langer geleden (in de Late-Prehistorie) heeft plaatsgevonden.

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om voor het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied (zie kaart 17) een vervolgonderzoek te laten uitvoeren indien fase 2 van te realiseren natuurbegraafplaats ook daadwerkelijk gaat plaatsvinden. Hier is namelijk nog sprake van een deels) intact archeologisch potentieel sporenniveau. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek en nadat onderbegroeiing en (vermoedelijk het merendeel van) bomen zijn verwijderd. Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten.

Voor het proefsleuvenonderzoek (IVO-P) dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Berkelland).

Voor het zuidwestelijke deel van het plangebied, dat reeds ingericht is al natuurbegraafplaats (vrij open terreindeel, zie kaart 17), wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. De hier gezette boringen bevestigen het beeld dat het terreindeel al merendeels over de kop is geweest.

Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Berkelland, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door mevrouw A.M. Lugtigheid-Hendriks, d.d. 16 september 2024, zaaknummer 2024EA1338). Met bovenstaand advies is ingestemd. Archeologisch vervolgonderzoek (een proefsleuvenonderzoek) is noodzakelijk voordat fase 2 van de natuurbegraafplaats in gebruik wordt genomen en er grondwerkzaamheden plaatsvinden. Voor fase 1 van de natuurbegraafplaats is geen vervolgonderzoek noodzakelijk.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. Ten aanzien van het zuidwestelijke deel van het plangebied/ de reeds ingerichte natuurbegraafplaats, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden hier toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het is raadzaam om ook de gemeente Berkelland op de hoogte te stellen.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/2PBO2H
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/2PBO2H
Provenance
Creator Broeke, E.M. ten
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, E.M. ten; Econsultancy
Publication Year 2024
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, E.M. ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 14118740
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem