Laagland Archeologie heeft in april 2026 een Archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd aan de Gronausestraat te Glane. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom het vervangen van de riolering.
Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol SIKB 4002.
Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.
Het plangebied ligt in het Overijssels-Gelders zandgebied. Uit geraadpleegde paleogeografische kaarten blijkt dat het noordelijke deel van het plangebied in een rivierdal gelegen is. Door dit rivierdal loopt momenteel de Glanerbeek. Dit is een zijtak van de Dinkel die zich ten oosten van het plangebied bevindt. De rest van het plangebied is in een dekzandlandschap gelegen. Verder is te zien dat binnen het plangebied nooit veenvorming heeft plaatsgevonden. Op de geomorfologische kaart ligt het plangebied overwegend op een dekzandrug. Het meest noordelijke deel ligt op een grondmorenewelving die aansluit op een beekdalbodem. In het centrale deel van het plangebied grenst het plangebied ook aan een beekdalbodem. Het meest zuidelijke deel van het plangebied ligt op een dekzandvlakte. Op het AHN is te zien dat de hogere delen van het plangebied in het midden en zuiden overeenkomen met de ligging op de dekzandrug. De lagere delen in het noorden en midden komen overeen met de huidige ligging van de Glanerbeek en een eerdere afsplitsing van deze beek. Bodemkundig doorsnijdt het plantracé zones met veldpodzolgronden, beekeerdgronden en enkeerdgronden. Zones met beekeerdgronden komen ruwweg overeen met de beekdalbodems op de geomorfologische kaart; zones met enkeerdgronden en veldpodzolgronden corresponderen achtereenvolgens met de dekzandruggen, grondmorenewelvingen en dekzandvlaken.
In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit het Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen bekend.
Op de Hottingerkaart van 1787 is te zien dat het centrale deel van het plangebied al in gebruik is als bouwland. Door het noordelijke deel van het plangebied loopt al een weg die rond het centrale deel van het plangebied door blijft lopen in zuidelijke richting, waar het plangebied in oostelijke richting afbuigt.
Op de eerste kadastrale kaart (circa 1832) is het plangebied en haar omgeving nog onbebouwd. Het terrein is grotendeels aangeduid als heide. Door het centrale deel van het plangebied loopt een zone met bouwland en weideland. Ongeveer 50 m ten noordoosten van het meest noordelijke deel van het plangebied ligt een historisch erf, erve Mollerman. Dit betreft een allodiaal erf dat voor het eerst in historische bronnen genoemd wordt in 1475.
Rond 1900 begon men met aan het aanleggen van de spoorlijn tussen Losser en Gronau. De spoorlijn liep door het noordelijke deel van het plangebied.
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek geldt voor de dekzandrug in het plangebied een hoge verwachting voor het Paleolithicum – Vroeg Neolithicum. Voor het noordelijk deel van de dekzandrug geldt voor het Midden Neolithicum – Vroege Middeleeuwen een middelhoge verwachting en voor het zuidelijke deel van de dekzandrug een hoge verwachting. Voor de overige delen van het plangebied geldt een lage verwachting. Voor de Nieuwe Tijd geldt voor het gehele plangebied een lage verwachting.
De toekomstige verstoring zal bestaan uit het verwijderen van bestaande riolering en het plaatsen van riolering in een nieuw tracé. Daarnaast zullen nieuwe nutssleuven gegraven worden. Vanwege de aard en omvang van de verstoringen adviseren wij om archeologisch onderzoek uit te voeren in de vorm van een archeologische begeleiding. Voorafgaand aan dit onderzoek zal een programma van eisen (PVE) opgesteld moeten worden.
Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente Losser. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, mevr. E. Kaptijn.
Advies bevoegd gezag
Prima rapport. Ik sluit me aan bij de conclusies. De enige inhoudelijke opmerking zou zijn dat de beekdalen ook een middelhoge i.p.v. een lage verwachting mogen krijgen. Met name de aanwezigheid van een voorde en dus een route maakt dat de kans groot is dat hier toevalsvondsten kunnen worden gedaan. Het onderzoek t.b.v. beekherstel Nieuw Drostendiep waar Lycens 4 km volledig heeft begeleid en er ruim 3200 vondsten uit alle perioden zijn gevonden (zie Olaf voor meer info).
Een begeleiding is hier inderdaad de meest geschikte methode. De impact van de spoorlijn op de ondergrond is op dit moment nog onbekend. Het lijkt me goed hierover iets op te nemen en mee te nemen in de strategie voor de begeleiding (bijv. boringen tijdens begeleiding om inzicht te krijgen, etc.). Op de topokaart gaat het over een stoomtram. Op de foto lijkt dit niet te kloppen. De impact op de ondergrond verschilt flink tussen tram en trein.
Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).