Eindrapportage archeologisch bureau- en booronderzoek (1107.002) Molenweg 35 te Heerjansdam versie C1

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachtingHet plangebied heeft een lage archeologische verwachting voor de perioden vóór de Romeinse tijd. Vanaf het (Laat-)Paleolithicum t/m het Mesolithicum had het plangebied namelijk een ligging binnen een vlechtende riviervlakte (waarschijnlijk op het Laagterras), overgaand naar een ligging binnen een komgebied. In het Neolithicum lag het plangebied ruim buiten de zones van de bekende meandergordels/stroomgordels en vond voornamelijk veengroei plaats. Voor bewoning was dit veengebied niet gunstig. Voor de perioden vanaf de Romeinse tijd heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. Met het ontstaan van de rivier de Oude Waal kwam het plangebied namelijk deels binnen zone van de stroomgordel en de naastgelegen smalle oeverwallen te liggen. De naastgelegen rivier vormde een natuurlijke ‘snelweg’ door het landschap en de hoger gelegen oeverwalzones direct naast de rivier vormde daarmee de meest aantrekkelijke bewoningslocaties. Met de definitieve bedijking en afdamming van de Oude Waal rond 1331 kwam het plangebied binnen de polder van de Zwijndrechtse Waard te liggen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft vooralsnog geen aanleiding om binnen het plangebied restanten van (ondergrondse) historische bebouwing te verwachten (lintbebouwing die direct langs de Molenweg stond). Ook hebben onderzoeken in de directe omgevingen niet geresulteerd in het aantreffen van archeologische vindplaatsen. Wel zijn diverse waarnemingen gedaan van aardewerkfragmenten daterend vanaf de Romeinse tijd (betreffen oppervlaktevondsten of vondsten gedaan tijdens niet-archeologische werkzaamheden door particulieren). De datering van deze vondsten zijn goed te koppelen aan het ontstaan van de meandergordel van de Oude Waal.Resultaten inventariserend veldonderzoekUit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) blijkt dat de aangetroffen bodemopbouw aansluit bij de paleogeografische ontwikkeling van het plangebied, zoals beschreven in het bureauonderzoek. Het plangebied ligt binnen de oeverwalzone direct naast de rivierloop van de Oude Waal. In het noordwestelijke en centrale deel van het plangebied komen oeverwal- op beddingafzettingen voor. De ondergrens van het pakket beddingzand loopt in zuidoostelijke richting snel op. Het noordwestelijke en centrale deel van het plangebied liggen dan ook binnen de zone van de stroomgordel. In het zuidoostelijke deel van het plangebied wordt de textuur van de opgeboorde klasitische sedimenten zwaarder, duidend op een overgang van de oeverwal naar het komgebied. In het centrale en zuidoostelijke deel van het plangebied komt onder de klastische afzettingen (kleiig) broekveen voor, dat zich heeft gevormd voordat de meandergordel/stroomgordel van de Oude Waal actief werd.(Recent) uitgevoerde bodemverstorende ingrepen hebben geen diepe verstoringen van de oorspronkelijke bodemopbouw veroorzaakt binnen het merendeel van het plangebied. Alleen in het centraal-westelijke deel van het plangebied, binnen het grasveld, is een verstoringsdiepte waargenomen tot circa 100 cm -mv. Het aanwezige bodemprofiel betreft een kalkrijke tot kalkhoudende poldervaaggrond, bestaande uit zware klei.ConclusieOndanks de bevestiging van een hoge archeologische verwachting op resten daterend vanaf de Romeinse tijd, op basis van de aangetroffen en merendeels intacte bodemopbouw, zijn deze in de oeverwalafzettingen niet aangetroffen. Ook verkleuringen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een door de mens gevormde cultuurlaag zijn eveneens niet waargenomen. Verder zijn in het onderliggende pakket veen in het centrale en zuidoostelijke deel van het plangebied eveneens geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van het ontbreken van archeologische indicatoren kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet aanwezig zullen zijn. Er zijn dus geen gevolgen voor de archeologie door de voorgenomen bodemingrepen. De hoge trefkans voor de perioden vanaf de Romeinse tijd dient, op basis van de resultaten van het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, te worden bijgesteld naar een lage verwachting.SelectieadviesOp grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen tijdens het onderzoek.Wel dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet 1988) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Zwijndrecht hiervan per direct in kennis te stellen.

Date Accepted: 25-06-2021

Date Accepted: 2021-06-25

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-zcr-vaxa
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-zcr-vaxa
Provenance
Creator E.M. ten Broeke
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor E.M. Broeke, ten; E.M. ten Broeke (Econsultancy); Econsultancy
Publication Year 2021
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/restrictedAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess false
Contact E.M. Broeke, ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 10308; 7950277; 10476; 1121; 4359
Version 1.0
Discipline Humanities