Laagland Archeologie heeft in maart 2023 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Harderwijkerweg 26 te Uddel. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de geplande nieuwbouw van een supermarkt.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied op grofzandige hellingafspoelingen. In het plangebied is mogelijk sprake van een plaggendek, dat op basis van omliggende archeologische onderzoeken een dikte van circa 60 cm kan bereiken. Voor zover in het plangebied daadwerkelijk sprake is van een plaggendek, dan betreft dit waarschijnlijk een zeer jonge uitbreiding van een bestaande kampontginning ten zuiden van het plangebied. Die uitbreiding is dan na 1832 te dateren. De natuurlijke bodem in het plangebied bestaat vermoedelijk uit veldpodzolgronden of haarpodzolgronden. Op basis van historische bronnen is Uddel terug te voeren tot de Vroege Middeleeuwen. Een oudere oorsprong is zeker niet uit te sluiten. In de omgeving van het plangebied zijn geen archeologische waarden bekend. In historische tijden is het plangebied tot in de vorige eeuw onbebouwd gebleven. Op basis van oude kaarten lijkt in het plangebied geen sprake van een plaggendek: tot in de vorige eeuw zijn woeste gronden/heidegronden aangegeven. Tegenwoordig is het overgrote deel van het plangebied bebouwd. Voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen wordt daarom een middelhoge verwachting aangehouden. Voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kan een lage verwachting worden aangehouden.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Er is onder een humeuze bovenlaag, deels bestaande uit een onverstoorde plaggenlaag, een onverstoorde, natuurlijke ondergrond aangetroffen, deels met onverstoorde horizonten van podzolgronden.Op basis van het booronderzoek worden archeologische resten verwacht. Indien hier bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden, is archeologisch vervolgonderzoek van toepassing. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). De archeologische verwachting wordt grotendeels gerepresenteerd door grondsporen uit de periode Neolithicum tot de Vroege Middeleeuwen. Dergelijke grondsporen zijn alleen effectief op te sporen door gravend onderzoek. Vindplaatsen uit deze periode zijn meestal zeer schaars in mobiel vondstmateriaal. Karterend booronderzoek is derhalve niet een geschikte onderzoeksmethode.Normaliter wordt 8 % van het gebied, waarvoor vervolgonderzoek geadviseerd is, onderzocht. Op basis daarvan dient ca. 224 m2 onderzocht te worden.Dit advies is overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente Apeldoorn. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, G. Spanjaard.