(16498.006) Eindrapportage archeologisch verkennend booronderzoek Klaarwaterweg 60-80 en 86-104 in Soest

DOI

Resultaten inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) De resultaten van het verkennend booronderzoek laten zien dat dat er binnen het plangebied tot veelal dieper dan 100 cm -mv bodemverstorende ingrepen/vergravingen hebben plaatsgevonden. Het merendeel van de gezette boringen laten onder het verstoringsniveau een scherpe overgang zien direct naar de C-horizont, waarbij het gaat om nog een relatief dunne laag van goed gesorteerde dekzanden met hieronder slechter gesorteerde en veelal direct grindhoudende daluitspoelingswaaier-/sneeuwsmeltwaterafzettingen. Alleen bij twee verspreid van elkaar gelegen boringen is tussen circa 60 en 90 cm -mv een mogelijk dun restant van een plaggendek met hieronder een dun intact restant van een Bhe- en een overgangs-BC-horizont van de van nature gevormde veldpodzolbodem aangetroffen. Er kan echter gesteld worden dat de resultaten van de verkennende boringen geen aanleiding geeft voor de aanwezigheid van een terreindeel van enige omvang waar nog sprake kan zijn van een (deels) intacte bodemopbouw. Ook was tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden het grondwater al aanwezig in het onderste deel van de verstoorde bodemopbouw, dan wel direct onder het verstoringsniveau. Het laat zien dat zelfs in de huidige situatie periodiek sprake is van vrij ondiepe grondwaterstanden. De verwachting is dan ook in de tijd voordat het gebied (grootschalig) werd ontgonnen ten behoeve van agrarisch gebruik, er sprake was van regelmatig ondiepe grondwaterstanden met drassige/natte omstandigheden. Het duidt erop dat het plangebied in het verleden zeer waarschijnlijk minder geschikt was voor het ontplooien van bewoningsactiviteiten.   In geen van de boringen is archeologisch relevant vondstmateriaal waargenomen in het opgeboorde en vervolgens verkruimelde bodemmateriaal. De plaatselijke vermenging met resten/brokjes beton- en bak-steenpuin en kolengruis in het geroerde/omgewerkte deel van de bodemopbouw zijn van recente ouderdom en zullen in de bodem terecht zijn gekomen tijdens bouwwerkzaamheden (bouw van de bestaande woningen) dan wel door bodemingrepen ten behoeve van tuinaanleg dan wel van verschillende aanwezige bijgebouwen/schuurtjes binnen de woonpercelen. Tevens blijkt uit de meeste boringen dat de bodem verstoord is tot in de oorspronkelijke top van de 1C-horizont (met recente verstoringen veelal dieper dan 100 cm -mv is zeker 20 tot 30 cm van de oorspronkelijke top van het dunne pakket dekzand al verstoord/vergraven) en ontbreekt het aan mogelijke vegetatie- dan wel oudere cultuurlagen. Daarmee wordt de kans klein geacht op de aanwezigheid van in situ gelegen archeologische resten.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om nog intacte restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij voor het plangebied een middelhoge verwachting gold voor de perioden Laat-Paleolithicum Midden-Neolithicum en Bronstijd t/m Romeinse tijd en een hoge verwachting voor de periode Laat-Neolithicum, bijgesteld dient te worden naar een lage verwachting. Voor de perioden Middeleeuwen en Nieuwe tijd was de verwachting laag en blijft laag.

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek, waardoor de archeologische verwachting voor het gehele plangebied bijgesteld kan worden naar een lage verwachting, adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Binnen het merendeel van het plangebied hebben reeds omvangrijke bodemverstorende ingrepen/vergravingen plaatsgevonden en verder is er geen aanleiding meer voor de aanwezigheid van een terreindeel van enige omvang waar nog sprake kan zijn van een (deels) intacte bodemopbouw.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het is raadzaam om ook de gemeente Soest op de hoogte te stellen.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/TUDIPN
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/TUDIPN
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2024
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 6615692
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem