Laagland Archeologie heeft in de periode februari - april 2022 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Dorpsstraat 241 te Scherpenzeel. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de geplande bouw van nieuwe woningen.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Het plangebied ligt op een dekzandwelving. In zuidelijke richting ligt een dekzandrug. De oude kern van Scherpenzeel (zuidoostelijk van het plangebied) is op deze dekzandrug gebouwd. De huidige Dorpsstraat is een van de oude uitvalswegen van Scherpenzeel. Deze is op 17e -eeuwse kaarten aangegeven, maar waarschijnlijk is deze weg veel ouder. Op een kaart uit 1832 is langs de Dorpstraat/ direct ten zuiden van het plangebied bebouwing aangegeven. Het plangebied was onderdeel van de moestuinen achter deze bebouwing. Vermoedelijk is daarbij de grond opgehoogd. Tussen ongeveer 1872 en 1930 kwam in het plangebied bebouwing (waarschijnlijk een schuur) voor. In de omgeving zijn resten uit met name de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bekend, overwegend samenhangend met de oude kern van Scherpenzeel.Op basis van het bureauonderzoek worden resten uit met name de Late Middeleeuwen (middelhoge/hoge verwachting) en Nieuwe Tijd (hoge verwachting) verwacht. Voor resten vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Tijdens de vekennende boringen is onder een verstoord pakket een ophoogpakket aangetroffen, dat vermoedelijk van na circa 1700 dateert. Onder dit ophoogdek ligt dekzand waarin een beekeerdgrond is gevormd. Op basis van de aanwezigheid van de beekeerdgrond kan aangenomen worden dat het terrein aldoor zeer vochtig is geweest. Het terrein was daarmee ongeschikt voor bewoning en akkerbouw. De verwachting voor de periode Midden-Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen kan daarmee worden bijgesteld naar ‘laag’. In het plangebied kunnen resten van het gebouw aanwezig zijn dat tussen 1872 en 1930 op oude kaarten was aangegeven. Ter hoogte van dit gebouw is een tot in de C-horizont verstoord bodemprofiel aangetroffen. Mogelijk echter zijn hier nog resten van funderingen en/of uitbraaksleuven aanwezig. De archeologische waarde van dergelijke subrecente gebouwen is echter gering. In het gebied kunnen voorts nog afvalkuilen en dergelijke aanwezig zijn, samenhangend met de bebouwing die vanaf ongeveer 1832 aanwezig was ten zuiden van het plangebied. Dergelijke resten zijn alleen door middel van intensief gravend onderzoek op te sporen. Het archeologisch belang van dergelijke grondsporen is meestal eveneens gering.Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie.Dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente Scherpenzeel. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, mevr. C. Van Eijk.Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).