In dit rapport worden de onderzoeksresultaten gepresenteerd van de opgraving die is uitgevoerd door Synthegra bv in opdracht van de Gemeente Zederik. De opgraving heeft plaatsgevonden op 9 en 10 september 2009 aan de Hei– en Boeicopse weg 54–58 te Hei– en Boeicop (gemeente Zederik). Het onderzoek is uitgevoerd volgens de uitgangspunten en randvoorwaarden zoals vastgelegd in het Programma van Eisen (PvE) dat is opgesteld door H.M.P Bouwmeester en aangevuld door E.E.A. van der Kuijl.Het doel van opgraven is het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden.De gehele onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van ongeveer 8.000 m2 waarvan 250 m2 nog onderzocht moest worden. Het overgrote deel, 780 m2, is reeds onderzocht door middel van proefsleuven (circa 10% van de totale oppervlakte). Het plangebied wordt ontwikkeld ten behoeve van woningbouw, waardoor de aanwezige archeologische waarden verloren kunnen gaan.In 2008 is door Synthegra bv een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Dit proefsleuvenonderzoek heeft aangetoond dat zich binnen het onderzochte deel van het plangebied resten van archeologische waarde bevinden. In het zuidelijk deel van het terrein zijn nederzettingssporen aangetroffen, in de vorm van zeer vondstrijke ophogingslagen uit de late middeleeuwen en sporen die mogelijk een deel van een gebouw representeren. De ophogingslagen vormen waarschijnlijk de kern van een soort dorpsterp onder het laatmiddeleeuwse bebouwingslint van het huidige dorp Hei- en Boeicop. In de nieuwe tijd zijn de ophogingen uitgebreid tot over het gehele terrein. Het noordoostelijk deel van het terrein heeft een geringe hoeveelheid sporen en vondsten opgeleverd. Mogelijk heeft dit deel van de onderzoekslocatie langdurig en doorlopend een akkerland- of weilandfunctie gehad, zoals weergegeven op historische kaarten.Tijdens de opgraving zijn sporen, antropogene lagen en humeuze, vondstrijke kleiige ophogingslagen aangetroffen vergelijkbaar met de resultaten van het proefsleuvenonderzoek. Tijdens het huidige onderzoek zijn twee vlakken aangelegd. Het eerste, en tevens meest relevante, archeologische vlak bevindt zich op gelijke diepte van het sporenniveau tijdens het proefsleuvenonderzoek. Het vlak heeft kuilen en mogelijke brandlagen opgeleverd. Uit één van de kuilen is aardewerk uit de 12e eeuw verzameld. Het eerste vlak correspondeert met laag 3 in de gedocumenteerde profielen, waarschijnlijk een oude bewoningslaag uit de tweede helft van de 12e eeuw tot de eerste helft van de 13e eeuw. Dit is de periode waarin met de grootschalige ontginning (cope-ontginning) van dit gebied is begonnen. Het tweede vlak, een contole vlak, is aangelegd in het natuurlijke veen dat onder de kleiige opghogingslagen ligt.De resultaten van het archeologisch onderzoek heeft nieuwe inzichten gegeven in de vroegste ontginningsgeschiedenis van Hei- en Boeicop en de directe omgeving. Het plangebied heeft een interessant vondstencomplex opgeleverd vanwege het hoge aantal van import aardewerk (onder andere Pingsdorf en Paffrath aardewerk) naast locaal geproduceerd aardewerk. Dit kan mogelijk op een vroegere ontginning dan in de 12e eeuw kan wijzen. Archeologische bronnen hebben een dergelijke vroege ontginning nauwelijks kunnen bevestigen. Het hoge aantal importen kan duiden op connecties met vroege handelssteden zoals Utrecht, Dordrecht en Tiel. Hiermee kan gezegd worden dat de eerste kolonisten, die in de cope ontginningen investeerden, allesbehalve geïsoleerd leefden en economische contacten met de buitenwereld hebben gehad. Dit is niet ongebruikelijk voor kolonisten in het 12e eeuwse West-Nederland.